© Wim Kloppenburg. Laatste update 6 februari 2024.
Made with Xara Web Designer+
bladeren
bladeren

Zondag Trinitatis

Het feest van de Drie-eenheid, op de zondag na Pinksteren, is liturgiehistorisch gezien een laat feest. De officiële invoering in de kerk van het Westen vond plaats in 1334, onder paus Johannes XXII. Dat tijdstip was niet toevallig. De instelling van zondag Trinitatis vormde de bekroning van het middeleeuwse scholastieke denken over de Drie-eenheid. De geschiedenis daarvan is zeer complex. Dogma-historici hebben er hele boeken over volgeschreven; zelfs het uiterst beknopte overzicht in het Theologisch Woordenboek 1 telt al ruim achttien kolommen. Maar juist daarom is het de moeite waard om het thema van de Drie-eenheid te bekijken en te beleven vanuit het kerklied. Want dan krijgt de ogenschijnlijk soms dorre dogmatiek ineens hymnische onder- en boventonen. Vanuit mijn eigen ervaring geef ik hieronder een aantal suggesties voor een zangavond over dit thema. Het spreekt vanzelf dat een dergelijke avond een goede samenwerking vereist van cantor/cantorij, organist en predikant! Psalm 8 We zien dat al meteen als we de liturgische gegevens van Zondag Trinitatis bestuderen. Het is één en al lofprijzing, meteen al in de eerste psalm: Psalm 8, ‘Heer, onze Heer, hoe heerlijk is uw Naam op de ganse aarde!’ Deze klassieke introituspsalm is een prachtig begin voor deze zangdienst. Je kunt kiezen uit verschillende berijmde en onberijmde versies. Uit het Liedboek bijv. Psalm 8 met die krachtige, dorische melodie uit de tijd van Calvijn, of 8c, een bekende en geliefde toonzetting van Bernard Huijbers met een belangrijk aandeel voor het koor. De evangelielezing van Trinitatis is het slot van Mattheüs, het zogenaamde doopbevel, waar Jezus zegt: Gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. Boeiender nog is een oudere traditie, die Johannes 3:1-15 aanwijst, het verhaal van Jezus en Nicodemus. Het gaat daarin over de wedergeboorte, over de Geest die waait waarheen hij wil. Het is geen theologische beschrijving van een eeuwig hemels mysterie, het gaat over mensen die nieuw worden, in beweging komen, aangeblazen door Gods Geest. Juist deze oude liturgische traditie geeft ons alle aanleiding om de Drie-eenheid te vieren, niet als statische constructie maar als belijdenis van Gods handelen in de geschiedenis. Allein Gott in der Höh’ sei Ehr LB 302 (LbK gz.254) is één van de oudste liederen van de Reformatie; Nikolaus Decius schreef het enkele jaren voordat Luther zijn eerste kerklied op papier zette. Tekst èn melodie van het lied zijn een vrije bewerking van het Gloria uit de mis. De tekst heeft een heldere opbouw. Het eerste couplet is een algemene strofe van lof en dank. Daarna volgen drie strofen over de Triniteit: de almachtige Vader, de eniggeboren Zoon, de Geest de Trooster. De melodie ontleende Decius aan het gregoriaanse Gloria I, het ‘Paas-gloria’, zoals in onderstaand notenvoor- beeld 2 duidelijk is te zien. Decius citeert de gregoriaanse melodie dus pas vanaf het punt ‘Et in terra pax’. De intonatie ‘Gloria in excelcis Deo’ – ‘Ere zij God in den hoge’, mocht immers alleen door de priester gezongen worden. Het is een oud, zeer zinvol luthers gebruik om die traditie óók te volgen wanneer het Gloria in liedvorm wordt gezongen: de voorganger of de cantor intoneert dan ‘Gloria in excelsis Deo’, waarna de gemeente invalt met ‘God in den hoog’ alleen zij eer.’ Een elegante combinatie van twee tradities, vind ik 3 . Alleluia! louange à Dieu De indeling met drie trinitarische strofen en een algemene lofprijzing komen we ook bij andere liederen tegen. LbK gz.258 (niet in LB) is bijna drie eeuwen later geschreven dan het lied van Decius, maar het heeft dezelfde indeling. Alleen vormt de algemene strofe hier de afsluiting: 1. God de Vader, de Schepper 2. De Zoon die is neergedaald 3. De Geest die woont in ons hart 4. Samenvattende lofprijzing De tekst is van de Waalse predikant Pierre Daniel Huet (1761-1810); de vertaling is van Ahasverus van den Berg, de dominee-dichter die zowel aan de Psalmberijming van 1773 als aan de Evangelische Gezangen van 1806 heeft meegewerkt. O lux, beata Trinitas Eén van de eerste liederen waar het woord Triniteit in voorkomt is LbK gz.253 (LB 237, daar helaas met een andere melodie) een avondhymne van bisschop Ambrosius van Milaan. De nadruk op de Triniteit heeft te maken met de strijd tegen het Arianisme. Arius, presbyter in Alexandrië, verkondig- de de opvatting dat Christus niet Gods Zoon was, maar het hoogste schepsel, staande tussen God en de andere schepselen. Op het Concilie van Nicea in 325 werd Arius’ leer veroordeeld, maar hij bleef nog lange tijd invloed houden en had vele aanhangers. Zijn belangrijkste bestrijder was bisschop Athanasius, die de wezensgelijkheid van Christus en God de Vader verdedigde. Het is natuurlijk veel leuker en mooier om dit lied van Ambrosius te zingen op een wijs die waar- schijnlijk bijna net zo oud is als de tekst. (Het jaartal ‘ca.1000’ geeft aan wannneer de melodie voor het eerst genoteerd is. Daarvóór bestond er nog geen muziekschrift, en werden melodieën mondeling overgeleverd.) De melodie van LbK gz.253 is een schoolvoorbeeld van een voormiddeleeuwse hymne, ‘gecomponeerd’ in de letterlijke betekenis van dat woord, namelijk samengesteld uit een beperkt aantal melodische bouwstenen. Kenmerkend zijn verder het driedelige metrum en de open, heldere klank van de hypomixolydische modus (let op de verdekte tritonus f-b). Uiteraard komt dit lied het beste tot zijn recht wanneer het eenstemmig, onbegeleid gezongen wordt. Creator alme siderum Wat in veel vroegkerkelijke geschriften en hymnen opvalt is het feit dat de Triniteit nog niet zo helder omschreven is. Bij latere liederen zien we gewoonlijk het schema Vader-Schepper, Zoon-Verlosser, Geest-Trooster. Maar als we bijvoorbeeld kijken naar LbK gz.226 (niet in LB), dan merken we dat het schematische denken nog ontbreekt: ‘Gij die der sterren schepper zijt… o Christus die de mensen redt’: de Heer die de Schepper is, is tevens de Verlosser. Het is God zelf die voor ons lijdt. In het Romeinse Missaal is deze hymne voorgeschreven voor de vespers in de Adventstijd, terwijl het LbK het lied in de rubriek Hemelvaart heeft geplaatst. Dat is niet zo vreemd als het op het eerste gezicht misschien lijkt. Het lied omvat namelijk de gehele heilsgeschiedenis: in strofe 1 de Schepping, in 3 de Verlossing en in 5 de Voleinding, ‘terwijl de strofen daartussen als het ware het dubbele contact tussen God en mensen beschrijven, in strofe 2 Gods erbarmen, in strofe 4 de dank der mensen.’ (J.W. Schulte Nordholt) De hymne sluit af met een trinitarische lofprijzing. De frygische melodie is iets jonger dan die van ‘O lux’, kent een bredere verspreiding en is ook vaak voor andere teksten gebruikt (denk bijv. aan het liedje ‘Als de grote klokke luidt, de klokke luidt, de reuze komt uit’). Wij komen van Oosten In LbK gz.226 vinden we dus nog geen dogmatisch leerstuk over de Drie-eenheid. Christus wordt aangeroepen als de Schepper. Dezelfde ondogmatische argeloosheid vinden we op een heel verrassende manier in een bekend Driekoningenliedje dat in 1897 door pastoor Jan Bols in Vlaanderen werd opgetekend 4 . Ik stel me voor dat het in deze zangdienst gezongen wordt door de kinderen. Op het eerste gezicht is het een vrolijk en tamelijk oppervlakkig liedje waarmee de kinderen, verkleed als de drie koningen op 6 januari langs de deuren gaan. In strofe 2 en 3 worden de ster, de stal, Maria en het Kindeke bezongen: 1. Wij komen van Oosten, wij komen van ver, a la berdina kosteljon. Wij zijn er drie koningen met een ster, a la berdina kosteljon. Van cher ami, tot in de knie, wij zijn drie koningskinderen, sa pater trok naar Venderlo, van cher ami. 2. Gij sterre, gij moet er zoo stille niet staan, 3. Te Bethlehem in die schoone stad, gij moet er met ons naar Bethlehem gaan. Maria met haar klein Kindeken zat. Maar dan gebeurt er iets verrassends: 4. En ’t Kindeken heeft er zoo lange geleefd, 5. Ja hemel en aarde en dan nog meer, dat ’t hemel en aarde geschapen heeft. dat is er een teeken van God den Heer. Hier wordt de tijd eenvoudig achterstevoren gezet: ‘Het Kindeken heeft er zoo lange geleefd, dat ’t hemel en aarde geschapen heeft’. Is dat niet net zo geheimzinnig als dat woord van Jezus ‘Eer Abraham was, ben Ik’? In elk geval vind ik het eerbiediger dan een dogmatisch leerstuk over de pre-existentie van de Zoon… Bij de laatste strofe is dit wondere visioen verdwenen en staan de kinderen weer gewoon met hun lampion te bedelen voor de deur: 6. Wij hebben gezongen al voor dit huis. Geeft ons eenen penning met een wit kruis. Nun freut euch, lieben Christen gmein Luther kende de oude latijnse hymnen goed, hij heeft er verschillende vertaald en bewerkt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat we bij hem soms dezelfde ‘naïeve’ gedachten tegenkomen, ook in zijn eigen vrije liederen. Een heel mooi voorbeeld is de ballade ‘Nun freut euch, lieben Christen gmein’. De vertaling van Ad den Besten en Jan Wit, ‘Verheugt u, christenen, tezaam’ (LbK gz.402, niet in LB) blijft dicht bij het origineel (in tegenstelling tot LbK gz.169/LB 654, een vrije parafrase door Ad den Besten). Luther noemt het zelf ‘Ein Dancklied für die höchsten Wolthaten so uns Gott in Christo erzeigt hat’. Het is een catechetisch lied, waarin hij probeert datgene te verwoorden wat hij als kern van de bijbelse boodschap nieuw heeft leren verstaan. God-de-Vader en de (‘pre-existente’) Zoon voeren in de hemel een ernstig gesprek over de ellende waarin de mens verkeert: 4. Da jammert Gott in Ewigkeit 5. Er sprach zu seinem lieben Sohn: mein Elend übermaßen; ‘Die Zeit ist hier zu erbarmen; er dacht an sein Barmherzigkeit, fahr hin, meins Herzens werte Kron, er wollt mir helfen lassen; und sei das Heil dem Armen er wandt zu mir das Vaterherz, und hilf ihm aus der Sünden Not, es war bei ihm fürwahr kein Scherz, (!) erwürg für ihn den bittern Tod er ließ’s sein Bestes kosten. und laß ihn mit dir leben.’ Na het heilsplan van God in Christus wordt ook het werk van de Heilige Geest bezongen: 9. ‘Gen Himmel zu dem Vater mein fahr ich von diesem Leben; da will ich sein der Meister dein, den Geist will ich dir geben, der dich in Trübnis trösten soll und lehren mich erkennen wohl und in der Wahrheit leiten.’ Ik noemde dit lied een ‘ballade’. Het is een lange doorgaande vertelling en je kunt er geen strofen uit weglaten. In een zangdienst vraagt dat om toepassing van de alternatimpraktijk: een rolverdeling tussen gemeente, solostem en cantorij (er zijn genoeg mooie zettingen 5 ), en misschien ook een orgelvers, waarbij de gemeente de betreffende strofe meeleest. De strijd om de juiste formulering Vader, Zoon en Geest. Die drie namen zijn, aldus de theoloog H. Berkhof ‘de samenvattende beschrijving van het verbondsgebeuren’. De namen duiden een relatie en een handeling aan, de manier waarop God met ons omgaat en zich aan ons openbaart. In die zin is het woord Drie-eenheid een belijdenis. Maar in de kerkgeschiedenis is het vaak geworden tot een theologisch probleem en een aanleiding tot conflicten en kerkscheuringen. Dat komt doordat men de Drie-eenheid niet alleen wilde zien als een beschrijving van het verbond van God met de mensen, maar ook en vooral als een abstracte, theologische definitie van God-zelf, een sluitend systeem, los van zijn relatie tot de mens, los van de tijd en de geschiedenis. En dan ontstaan er grote problemen. Hoe kan God één zijn en toch drie? Hoe kan Hij drie zijn en toch één? Hoe kan Jezus God als zijn meerdere beschouwen en aanroepen als Hij van eeuwigheid één is met de Vader? Zo zoekt men naar een dogmatische constructie die een rationeel aanvaardbare definitie moet zijn van een ondoorgrondelijk mysterie. Eeuwenlang hebben dogmatici zich met deze constructie beziggehouden. Dat leidde soms tot prachtige, diepzinnige gedachten, maar vaak ook bleef men steken in verbale spitsvondigheden. ‘Una substantia, tres personae’ – één wezen (letterlijk: één substantie, drie personen). God wordt dan gedacht als een soort fijne materie die verschillende vormen kan aannemen. In een gesprek met de kinderen op zondag Trinitatis liet een predikant door de koster een glas water, een bakje ijsklontjes en een electrische waterkoker brengen: water, ijs en damp, drie verschillende verschijningsvormen van hetzelfde H 2 O… Filioque In de Credo-formuleringen uit de eerste eeuwen van het christendom, de geloofsbelijdenissen die we voor een deel ook nu nog gebruiken, vinden we de sporen van deze worsteling om de juiste formulering. De geloofs- belijdenis van Nicea ontstond in de tijd van het Arianisme. Tegenover Arius, die de goddelijkheid van Christus ontkende, stelde het Concilie van Nicea met nadruk dat wij geloven …in één Heer Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader voor alle eeuwen, God uit God, licht uit licht, waarachtig God uit waarachtig God, één van wezen met de Vader… Eén van wezen, grieks: homo-ousios, latijn: consubstantialis – daar is dat woord ‘substantie’ weer. Ook in veel later tijd treffen we deze formulering aan, bijvoorbeeld in LB 405 (LbK gz.457): ‘Drievuldig God, die één in wezen zijt’. Hield het Concilie van Nicea zich vooral bezig met de verhouding tussen God de Vader en God de Zoon, het Concilie van Constantinopel, ruim vijftig jaar later, bracht met name verfijningen aan in de omschrijving van de Heilige Geest: Ik geloof in de Heilige Geest, die Heer is en levend maakt, die van de Vader uitgaat, die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt. Het Concilie van Constantinopel laat de Geest dus voortkomen uit de Vader. Het gebruik van de term homo- ousios, consubstantialis, wordt hier vermeden. De Heilige Geest wordt niet uitdrukkelijk ‘God’ genoemd. Eén punt in de formulering bleef nog lange tijd problemen opleveren: de Heilige Geest die van de Vader uitgaat. Volgens sommige theologen moest dat zijn: de Geest die van de Vader en de Zoon uitgaat. Dat ene woordje ‘en van de Zoon’, in het latijn filioque, is altijd een twistpunt gebléven. Uiteindelijk heeft de kerk in het Westen het geaccepteerd, de Oosterse kerk niet. 6 Wir glauben all an einen Gott Luther heeft het Credo van Nicea-Constantinopel bewerkt tot het beroemde strofelied ‘Wir glauben all an einen Gott’ LB 341 (LbK gz.331). Bij de lutheranen is dat een bekende en geliefde vorm, bij (voormalig-) hervormden en gereformeerden is dit gezang veel minder bekend. Wat in Luthers bewerking opvalt is het feit dat ook de Heilige Geest God wordt genoemd: ‘Wij geloven in de Heilge Geest, God, zoals de Zoon, de Vader’. We zagen hierboven dat dat in de oude credo-teksten niet het geval is. Bij de reformatoren zien we het vaker, denk maar aan de indeling van de Heidelbergse Catechismus: - van God de Vader en onze Schepping - van God de Zoon en onze Verlossing - van God de Heilige Geest en onze Heiligmaking. De Reformatie was dus niet, zoals de middeleeuwse scholastici, geïnteresseerd in de Drie-eenheidsleer als gesloten systeem, maar ziet en beschrijft de Triniteit vanuit de heilsgeschiedenis. Kyrie, Gott Vater in Ewigkeit We zien dat ook in het grote driedelige Kyrie van Luther (Dienstboek pag. 576): - Kyrie, Gott Vater in Ewigkeit - Christe, aller Welt Trost - Kyrie, Gott Heiliger Geist Als dit gezang uit de zogenaamde ‘Liedmis’ bij de gemeente niet bekend is, zou men er in het kader van de zangavond ook voor kunnen kiezen om de cantorij telkens één strofe te laten zingen, gevolgd door de bijbehorende manualiter bewerkingen uit Clavier-Übung III van Johann Sebastian Bach. Je kunt de gemeente dan laten horen hoe Bach speelt met het getal drie. De drie delen van dit dit trinitarisch opgebouwde Kyrie zijn geschreven in achtereenvolgens een 3-, een 6- en een 9-delige maatsoort. Er staat een boom geplant De Bijbel kent niet een ‘leer van de Drie-eenheid’. Wel spelen verschillende bijbelplaatsen een rol bij het denken over de Triniteit. In de ikonografie kennen we de afbeelding van ‘de Drievuldigheid van het Oude Testament’, drie gestalten rondom een gedekte tafel, een voorstelling die gebaseerd is op Genesis 18: En de Here verscheen aan Abraham bij de terebinten van Mamre, terwijl hij op het heetst van de dag in de ingang van de tent zat. En hij sloeg zijn ogen op en zag, en zie, drie mannen stonden bij hem… Deze passage wordt gelezen als prefiguratie, voor-afbeelding van de heilige Drie-eenheid. Abraham spreekt met deze mannen alsof het er één is. Liederen bij deze pericoop gaan meestal alleen over de verzen waarin aan Abraham en Sara een zoon wordt beloofd. Alleen in de bundel Liederen van het begin 7 vinden we één lied waarin Willem Barnard mediteert over ‘De drie mannen bij Mamre’. De melodie is van Ignace de Sutter. Ondanks de speelsheid van de beelden is dit geen eenvoudige tekst. Het verdient aanbeveling om eerst Genesis 18:1-15 te lezen, gevolgd door de korte toelichting uit de Syllabus bij Liederen van het begin, die ik hieronder overneem. In dit lied van Willem Barnard worden twee motieven met elkaar verweven: de boomgroep van Mamre, waar Abraham verblijft als hij drie mannen te gast krijgt, die hem de belofte van God komen bevestigen dat hij een zoon zal hebben, met Sara samen. En het maal dat Abraham zijn gasten voorzet. De bomen van Mamre zijn meer aanleiding, dan dat ze zelf bedoeld zijn in de eerste twee coupletten. De boom, die schaduw geeft, staat op z’n kop: de wortels in de hemel, z’n top wijst naar beneden. ‘Zijn toekomst is een graf.’ Als je steeds verder naar beneden groeit, dring je tenslotte de grond in. Dat is de beweging van God naar ons toe, de omgekeerde van het ten-hemel-streven. God daalt tot óns af, tot in de aarde. Strofe 3 gaat het verhaal vertellen: de aankomst, de begroeting, het maal: ‘en hij gaf goede vrucht’ (4). En dan, in 5, worden die omgekeerde boom en het maal (de goede vrucht) in elkaar geschoven. En de schaduw: een lach. Nog eens die lach, de goede vrucht, Izaäk, lach, het lachen van Sara, vs.12. Het zesde couplet is dan een soort lofzang op die schaduwrijke boom, ‘vader van zovelen’. Abraham dus, in dit geval, die óók niet groeide van beneden naar boven, maar zijn vruchtbaarheid, en die van Sara, zijn van boven-naar-beneden. Op grond van de belofte, die zó van bovenaf was dat mensen er alleen maar om kunnen lachen. 8 Niet enkel door het water In het Nieuwe Testament zijn nog twee teksten die van belang zijn voor de leer van de Triniteit. Het eerste is het al genoemde ‘doop-bevel’ aan het einde van het Mattheüs-evangelie. De tweede tekst is die geheimzinnige passage uit de eerste Johannesbrief: Want drie zijn er die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest, en deze drie zijn één. En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest en het water en het bloed, en deze drie zijn tot één. Over deze pericoop schreef Jan Wit een weinig gezongen maar buitengewoon fraai lied van Jan Wit en Adriaan Schuurman: ‘Niet enkel door het water’ (LbK gz.256, niet in LB). Jan Wit schrijft erover in het Compendium bij het LbK: Ik heb dit lied bedoeld voor Zondag Trinitatis. Ik vond namelijk dat de keus voor deze zondag eigenlijk uiterst gering was. Behalve enkele lofliederen op de Drieëenheid worden voor Trinitatis alleen maar teksten aangeboden die bestaan uit een strofe op de lof des Vaders, een strofe over de lof van de Zoon en een strofe over de Heilige Geest, met meestal een slotstrofe die ook ternauwernood iets zegt over de verhouding van die drie. Nu ben ook ik niet in staat om in de geheimenissen van de Heilige Drievuldigheid door te dringen en daarom koos ik als thema voor dit lied de passage uit 1 Joh. 5: 8 over de eenheid van het getuigenis van de Geest, het water en het bloed. De latere toevoeging uit vers 7, die ook in onze vertalingen tussen haakjes geplaatst wordt, komt hoogstens aan de orde in de slotstrofe, maar dan in de vorm van een trinitarische doxologie. In de eerste strofe van dit lied wordt eigenlijk gesproken over incanrnatie en Kerstmis, met een toespeling op het lied ‘Daar komt een schip geladen’ [LB 434]. De tweede strofe gedenkt de doop van Jezus door Johannes. In de derde strofe komen de sacramenten aan de orde. Strofe 4 is dan een weergave van de al genoemde plaats uit de Johannesbrief en strofe 5 zoals reeds gezegd een doxologie als slot. Ook in dit lied heb ik, evenals in Gezang 233 [LB 662], een ongebruikelijke strofevorm toegepast. Die ongebruikelijke strofevorm inspireerde Adriaan Schuurman tot het schrijven van een niet gemakkelijke, maar wel buitengewoon spanningsvolle – en als je er eenmaal mee vertrouwd bent zelfs zeer meeslepende – melodie, waarin de dorische modus op een moderne manier gebruikt wordt (let op de kenmerkende afwisseling van b en bes – net als in Psalm 8!). In het Compendium geeft Willem Vogel enkele aanwijzingen voor het instuderen van dit gezang: Bij de vooroefening zou men kunnen beginnen met het inprenten van de karakteristieke regels 1 en 3, die ident zijn; 7 lijkt daar heel veel op, maar wijkt aan het slot af, zodat de overgang kan worden bewerkstelligd naar de afsluitende 8e regel, die op de grondtoon eindigt. Aandacht vraagt ook de inzet van regel 6 met de b', die uiteraard na de voorafgaande bes' in regel 5 niet toevallig genoteerd staat. Naar alle kanten wordt de spanning van het octaaf verkend; maar die 'verkenning' geschiedt gedecideerd en met vaart, - het gaat om een volheid, die zichzelf in evenwicht houdt, en dat is het geheim van dit trinitarische lied. Dragende, moederlijke God… Een bijzonder lied (LB 707) waarin God niet in de ons zo bekende mannelijke en vaderlijke beelden wordt beschreven en bezongen, maar in vrouwelijke en moederlijke. Dat kan op het eerste gezicht misschien een nieuwe en eigentijdse indruk maken, maar Jean Janzen, die de tekst van dit beknopte lied schreef, vond haar inspiratie in de geschriften van Juliana van Norwich, een Engelse mystica en kluizenares uit de tweede helft veertiende eeuw, die je zou kunnen vergelijken met de bij ons veel bekendere dichteres en mystica Hadewych. Voor uitgebreidere informatie over LB 707 zie het Liedboekcompendium. Kenmerkend voor veel mystici zijn de lijfelijke, bijna erotische beelden en uitdrukkingen. Iets wat we, eeuwen later, ook kunnen aantreffen in sommige bevindelijke hoeken van het gereformeerde protestantisme, zoals bij de legendarische dominee Ledeboer, die zich aanvankelijk aansloot bij de Afscheiding van 1834 maar later voor zichzelf begon, met een hele schare ‘Ledeboerianen’ die hem volgden. In zijn liederen bezingt hij op haast middeleeuws- mystieke wijze zijn liefde tot Jezus: Och Jezus! zet mij beide Uw borsten open, / en laat in mij Uw zuivre melk vrij lopen… 9 De drieklank van uw naam Een mooi lied om deze zangavond mee te eindigen is LB 967 10 (LbK gz.313). Ik heb dit lied met name gekozen vanwege de laatste strofe, waar de doxologie inderdaad belangrijker is dan het dogma. De vertaler vergelijkt de Drie-eenheid met een drieklank: drie verschillende tonen die zich toch als één welluidend accoord aan ons voordoen: ‘Heel de mensheid stemme saam in de drieklank van uw naam’. Een vondst!
1. Er staat een boom geplant, die wortelt in de hemel, er staat een boom geplant, die groeit van boven af. 2. Hoe plant die boom zich voort? Zijn top wijst naar beneden, hoe plant die boom zich voort? Zijn toekomst is een graf. 3. Te Mamre bij die boom, drie mannen zijn verschenen te Mamre bij die boom op ’t heetste van de dag.
4. Zij hebben hem begroet en hij gaf hun te eten, zij hebben hem begroet en hij gaf goede vrucht. 5. Wat heeft de goede boom aan goede vrucht gegeven? wat geeft de goede boom? zijn schaduw is een lach. 6. O schaduwrijke boom en vader van zovelen. o schaduwrijke boom op ’t heetste van de dag.
2. Ik heb de gregoriaanse melodie geno- teerd zoals die ten onzent bekend is, bijv. uit het Liber Usualis. Maar vooral in het vervolg van de strofe kun je zien dat Decius uitgaat van het ‘germaanse dialect’ van het gregoriaans, dat melo- disch en qua tekstplaatsing soms afwijkt. Zie: Otto Brodde ‘Evangelische Choral- kunde (Der gregorianische Choral im evangelischen Gottesdienst)’ in K.F. Müller, W. Blankenburg (red.) Leiturgia. Handbuch des evangelischen Gottes- dienstes Band IV, Kassel 1961, p.397v.
4. J. Bols, Honderd oude Vlaamsche liederen, Namen 1897. Het notenbeeld is overgenomen uit de bundel Nederlands Volkslied, liederen en canons verzameld door Jop Poll- mann en Piet Tiggers. 19de druk, bewerkt door Jan Boeke, Gert Helmer en Frits de Nijs, Haarlem 1977. ‘A la berdina kosteljon’ is waarschijnlijk een verbastering van ‘A la berline postiljon’. Je zou bij de drie koningen eerder kamelen verwachten…
6. In de oecumenische wereldconfe- rentie te Lima, 1982, aanvaardde de Wereldraad van Kerken een gemeen- schappelijk document over doop, avond- maal/eucharistie en ambt. Terwille van de Oosterse kerken heeft men in de daaruit voortkomende ‘Lima-liturgie’ het filioque uit het Credo weggelaten. Zie bijv. de Credo-vertaling op pag. 619vv. van het Dienstboek.
7. Klaas Bartlema e.a. (red.), Liederen van het begin. Liederen bij het boek Genesis verzameld en geschreven in opdracht van de NCRV. ’s-Gravenhage 1983.
8. H.R. Blankesteijn, Syllabus (2 deeltjes) bij Liederen van het begin. Hilversum 1983.
10. De vermeldingen in het Liedboek bij lied 967 geven al enigszins een beeld van de complexe ontstaansgeschiedenis van dit lied. Ik heb er dan ook een aparte pagina aan gewijd. Zie Een naadloze lappendeken.
3. Over dit gebruik schrijft Brodde: ‘Decius setzt mit seiner Lied-Übertra- gung nach der Intonation (des Liturgen) bei der Melodie des ‘Et in terra pax’ mit dem von vornen beginnenden, ganzen Gloria-Text ein, was durchaus verständ- lich ist von der Tatsache her daß häufig im lutherischen Gottesdienst die latei- nisch gesungene Intonation beibehalten wurde. […] Mit dieser Praxis hängt es zusammen, daß in Agenden und Gesangbüchern des 16. Jahrhunderts das Gloria-Lied meistens das ‘deutsche Et in terra pax’ genannt wird.’
1. M. Brink O.P (red.), Theologisch Woordenboek, Roermond 1952.
5. ‘Nun freut euch lieben Christen gmein’, in een bewerking van Benedict Ducis (ca.1492-1544). Fragment van de cd Lieder der Reformationszeit. Capella Fidicinia o.l.v. Hans Grüss; Peter Schreier, tenor. Capriccio 1986.
De drie mannen op bezoek bij Abraham, afge- beeld als de ‘Drie-eenheid van het Oude Tes- tament’. Mozaïek in de narthex van de San Marco in Venetië.

De Triniteit – dogma en doxologie

Suggesties voor een zangdienst op of omstreeks Zondag Trinitatis

‘De kerk viert de zondag van de Drie-eenheid’, aldus Artikel VII lid 3 van de Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland. Dat zinnetje is niet helemaal zonder slag of stoot in de kerkorde opgenomen. Tijdens de betreffende synode- vergaderingen werden er de nodige vraagtekens gezet bij dit ‘liturgische stokpaardje van de lutheranen’. Sommige theologen en liturgisten staan tamelijk kritisch tegenover het vieren van een aparte Triniteitszondag. Vormt dat feest niet een al te nadrukkelijk en triomfantelijk slotaccoord van de Paastijd, en wordt het niet veel te sterk bepaald door dogmatische constructies in plaats van door bijbelse gegevens?
9. Zie A. Ypma, ‘Het godsdienstig lied en de Afscheiding’ in: A.C. Honders e.a. (red.), Het lied en de kerk. Groningen 1977, p.239
“Mir zweifelt nicht, durch das eine Liedlein Lutheri: Nun freut euch lieben Christen gmein, werden viel hundert Christen zum Glauben gebracht sein, die sonst den Namen Lutheri vorher nicht hören mochten; aber die edeln theuern Worte Lutheri haben ihnen das Herz abgewonnen, daß sie der Wahrheit beifallen mußten. So daß meines Erachtens die geistlichen Lieder nicht wenig zur Ausbreitung des Evangelii geholfen haben” Tilmann Heßhus 1565
“David verheft de Majesteyt Godes vanwegen syner wercken blijckende in hemel ende op eerden; maer sonderlinge in den mensche…” Marnix van St.Aldegonde, 1580. Opschrift bij Psalm 8.
Trinitatis
Wim Kloppenburg  Hymnologie
Eerste versie: M&L 2011 nr.3. Voor deze website herzien en uitgebreid met materiaal uit verschillende zangavonden; oktober 2022.