Eén van de mooiste Pinksterliederen uit de twintigste eeuw is naar mijn mening het lied ‘De wereld is gewonnen door woord en geest’, een tekst van Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995). Over het ontstaan van het lied, vermoedelijk tussen 1955 en 1960, noteerde Schulte Nordholt:Hoe maakt men een kerklied? Soms misschien doordat men er zo’n behoefte aan heeft de vloed van heilige geheime woorden af te dammen, te bemeesteren in een overzichtelijke vorm, te overzien’, en dat ‘vooral de eerste strofe ontstaan is uit een poging tot samenballing en objectivering, terwijl de tweede reminiscenties heeft aan een mij vooral vroeger dierbaar eschatologisch geloof.Compendium bij het Liedboek voor de Kerken, k.600We herkennen dat in veel liederen en gedichten van Schulte Nordholt: het zoeken naar evenwicht tussen een heldere, compacte, ‘beheerste’ vorm en een doorleefde, soms bijna ‘bevindelijke’ inhoud. Daarom hield hij ook zoveel van de klare taal van de oude Latijnse hymnen, waarvan hij er vele vertaald heeft.Het lied is inderdaad méér dan een Pinksterlied. Het Pinksterfeest wordt bezongen als een nieuw begin. Op Pinksteren komt een geschiedenis op gang, een gang die niet meer te stuiten is. Als in een visioen ziet de dichter het voor zich, en hij gebruikt daarbij onder andere woorden van Simeon in de tempel: ‘een licht voor alle volken in eeuwigheid’. Het lied staat in een grote eschatologische spanning; reikhalzend ziet de schepping uit naar de voltooiing, als God zal zijn ‘alles in allen’.Het lied staat, met een brede, hymnische wijs van Frits Mehrtens o.a. in het Liedboek voor de Kerken (1973, gez.251).Oorspronkelijk was er ook nog een derde strofe, maar die heeft de dichter uiteindelijk geschrapt: ‘Er was een derde strofe, maar die was al te veel, want bij dit soort gedichten kan men (ik tenminste) alleen maar kort van adem zijn.’ Gezang 251 in het Liedboek telt daarom slechts twee coupletten.
De melodie
Toen de kerkmusicus Frits Mehrtens de oorspronkelijke tekst leerde kennen, werd hij vooral geraakt door de eschatologische spanning van nu juist het derde couplet, over het ongeduld waarmee we uitzien naar het komende Rijk. Juist deze strofe vormde voor Mehrtens de inspiratie voor het schrijven van de melodie, een melodie die de spanning van de tekst op onnavolgbare manier verklankt, een melodie die ons kan troosten als het zicht op het Rijk van God wordt verduisterd door alles wat er om ons heen gebeurt. Als je dit lied uit volle borst zingt, word je daar ‘geloviger’ van. Je hoeft niet eerst heel zeker te geloven om dit lied te mogen zingen, maar het is andersom: door dit lied zing je jezelf geloof in, je zingt boven jezelf uit.
Torso
Mehrtens was dan ook buitengewoon teleurgesteld toen in het Liedboek voor de Kerken alleen de eerste twee coupletten werden afgedrukt. Hij schreef:Gezang 251 is voor mij in het Liedboek aanwezig in de vorm van een torso – de kop is er af. De derde strofe, formeel de laatste, was voor mij de kop, de toespitsing; vandaar mijn gevoel van een torso. De eerste coutouren van een melodie deed ik namelijk op door deze ‘laatste’ strofe. Dat ongeduld sprak mij erg toe. En het daarop volgende altijd-alles-allen, drie totalitaireexclamaties, die ter-nauwer-nood worden ingetoomd door het zult... voor mij was dat het beeld van een kind, dat nèt niet struikelt als het op zijn vader toe-rent. Juist door het feit dat het zulthet laatste woord hééft en ís, gaat deze strofe niet óp in het visioen maar keert terug naar het hier en het nu.[...] Door het altijd-alles-allen vallen Hemelvaart en Voleinding samen in een ‘vandaag’. En zijn dat niet de ‘maten’ van de Geest, de Trooster als ‘Vooruit-Helper’?De dynamiek van Mehrtens’ melodie is ook duidelijk op drie coupletten berekend. In de twee-strofige vorm “komt het lied nét niet ‘op gang’, het is ‘te vroeg afgelopen’” (Mehrtens). Aan het einde van strofe 2 heb je als zanger de neiging om nog even diep in te ademen voor een volgende inzet, en als organist grijp je als vanzelf naar dat ene register dat je nog kunt bijtrekken. Er móet na 2 nog iets komen.
Ongrammaticaliteit
In het tijdschrift De Eerste Dag (jrg. 29 nr.2, Lente 2006) toont Pieter Endedijk zich ongevoelig voor Mehrtens’ argumenten. Enigszins geringschattend merkt hij op: ‘[Mehrtens] gebruikt veel woorden om zijn gelijk te bewijzen. [...] Maar ondanks al zijn argumenten moet men toch zeggen dat vanwege de archaïsche taal en de grammaticale constructie die derde strofe de zwakste was.’Naar mijn gevoel heeft Endedijk hier te weinig oog voor de kracht en de betekenis van ongrammaticaliteit in de poëzie. Bij de grote dichters is ongrammaticaliteit geen ‘fout’ die ontstaat door rijmdwang of metrum, maar een bewust gebruikt expressiemiddel.Een paar voorbeelden:- Eén van de beroemdste regels van Martinus Nijhoff is ‘en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren’. Slecht Nederlands? Kromme spreektaal? Grammaticaal onjuist? Ja, misschien wel, maar desondanks – nee, juist daardoor – de trefzekere en overgetelijke kernzin van het sonnet ‘De moeder de vrouw’ (zie de tekst in het kader onderaan deze pagina).- Of J.H. Leopold: Om mijn oud woonhuis peppels staan / mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’.- Of Luceberts korte gedicht bij het schilderij Visser op een winters meer van Ma Yuan (ca.1200). In de eerste regel staan de woorden in een ‘verkeerde’ volgorde. Maar als je die regel zou ‘verbeteren’ is het ineens geen gedicht meer, maar een rare opsomming. De magie is weg.Ook bij Schulte Nordholt heeft de ‘ongrammaticaliteit’ een functie. Zoals Mehrtens het formuleerde: ‘Juist door het feit dat het zult het laatste woord hééft en ís, gaat deze strofe niet óp in het visioen maar keert terug naar het hier en het nu.’Ik ben het dus hartgrondig met Endedijk oneens. De eschatologie van de derde strofe is onmisbaar. Pas met het derde couplet erbij komt de eenheid van tekst en melodie volledig tot zijn recht.Bij het verschijnen van het nieuwe Liedboek – Zingen en bidden in huis en kerk (2013) was ik erg benieuwd of het mooiste Pinksterlied uit de twintigste eeuw zou worden afgedrukt met twee of met drie coupletten. Maar helaas, het lied staat er helemaal niet in. Onbegrijpelijk…
Pinksteren – tussen Hemelvaart en Voleinding
Visser van Ma Yuanonder wolken vogels varenonder golven vliegen vissenmaar daartussen rust de vissergolven worden hoge wolkenwolken worden hoge golvenmaar intussen rust de visser
Gepubliceerd in M&L 2009 nr.2. Bewerkt en aangevuld sept. 2020.
bladeren
bladeren
De moeder de vrouwMartinus NijhoffIk ging naar Bommel om de brug te zien.Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijdendie elkaar vroeger schenen te vermijden,worden weer buren. Een minuut of tiendat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –laat mij daar midden uit de oneindigheideen stem vernemen dat mijn oren klonken.Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoerkwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.Zij was alleen aan ’t dek, zij stond bij ’t roer,en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
Martinus Nijhoff schreef dit gedicht kort na de bouw van de brug over de Waal bij Zalt-bommel in 1933. Tegenwoordig ligt daar een nieuwe brug, die genoemd is naar de dichter. Nijhoffs sonnet is beroemd en geliefd, maar ook vaak bekritiseerd, niet alleen vanwege die “kromme zin” maar ook vanwege de “christelijke achtergrond” die sommige mensen irriteert. Berucht is de parodie van Gerrit Komrij, die blijkbaar niet bereid was om echt goed te lezen en te luisteren, en in de diepere lagen van dit op het eerste gezicht simpele gedicht door te dringen.Iemand die dat op een bijzondere manier wèl gedaan heeft, is Ilja Leonard Pfeijffer. In zijn artikel ‘De suggestie van Nijhoff’*) geeft hij een boeiende analyse van de tekst, en verdedigt hij de gewraakte ‘ongrammaticaliteit’: “De taal slaat uit het lood zodra de ikfiguur uit het lood wordt geslagen. Iconiciteit heet dat, dat de taal imiteert waarnaar het gedicht verwijst…” *) Ilja Leonard Pfeijffer, ‘De suggestie van Nijhoff’ in: Awater 2003/1. De tekst is ook beschikbaar op de website van DBNL.Leuk om te weten: Nijhoffs moeder was bij het Leger des Heils, en daar zingen ze helemaal geen psalmen! Bovendien was Nijhoff nog nooit in (Zalt)bommel geweest toen hij dit sonnet schreef. En de zinsnede ‘Prijs God, Zijn hand zal u bewaren’ komt in geen enkele Nederlandse psalmberijming of bijbelvertaling voor. Inderdaad: dichters liegen de waarheid!Twintig jaar later zou Nijhoff zelf meewerken aan de Nieuwe Psalmberijming!
Persoonlijke notitie, toegevoegd op 15 oktober 2026.Gisteravond keek ik naar ‘De slimste mens’, één van de afleveringen waaraan Paulien Cornelisse nog had meegewerkt, en die na haar overlijden werden uitgezonden. Op een vraag over het sonnet van Nijhoff, bleken de deelnemers noch het gedicht noch de naam van de dichter te kennen (“P.C. Hooft misschien?”). Zelfs de aanwijzing dat de huidige brug bij Zaltbommel naar de dichter genoemd is, hielp niet. En ook de beroemde regel kwam ze niet bekend voor. Paulien kon het niet laten daarop te reageren; in een paar zinnen schetste ze hoe de dichter de spanning opbouwt: … het gaat over een man, die ligt bij die brug … en die hoort dan een vrouw zingen op een schip, en dat schip komt steeds dichterbij, en dan komt er dus een zin – en dat is expres ongrammaticaal – hij zegt dan “En wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren”. Dus die boot komt dichterbij … je hoort ‘iets’ … maar wat ís het?! En dan: O, het zijn psálmen.Ik vind dat heel mooi.