© Wim Kloppenburg. Laatste update 25 september 2026.
Made with Xara Web Designer+
Jan de Liefde
De
oudst
bekende
Nederlandse
versie
van
dit
gezongen
avond
-
gebedje
vinden
we
in
de
Zangstukjes
voor
scholen
en
huisgezinnen.
Eerste
stukje
(z.j.,
ca.
1850)
van
de
predikant
en
evangelist
Jan
de
Liefde (1814-1869)
De
Liefde
werd
vooral
bekend
door
zijn
werk
‘onder
de
lagere
stan
-
den
in
de
achterbuurten
van
Amsterdam’.
Hij
was
de
oprichter
van
de
nog
altijd
bestaande
Vereeniging
tot
Heil
des
Volks.
Allard
Pierson
schetst
hem,
geestig
en
treffend,
als
‘Schrijver,
redenaar,
dichter,
komponist,
humorist
en
theoloog,
bij
afwisseling
of
tegelijk.’
De
lie
-
deren waren onmisbare hulpmiddelen bij zijn evangelisatie-arbeid.
Zoals
we
zien,
is
de
tekst
van
het
‘Gebed
tegen
den
nacht’
een
verta
-
ling
uit
het
Duits.
In
latere
uitgaven
heeft
men
de
tekst
van
de
eerste
regel
gewijzigd;
kennelijk
vond
men
‘’k
Ga
ter
ruste’
te
weinig
kin
-
derlijk
of
te
ouderwets
en
werd
het
‘Ik
ga
slapen’.
Ook
anno
2020
verschijnen
er
nog
steeds
‘verbeterde’
of
‘gemoder
niseerde’
versies,
zoals ‘Ik ga slapen, ik ben moe, / Heere dek mij lekker toe.’
De
melodie
die
De
Liefde
noteert,
is
‘in
de
volksmond’
(en
door
la
-
tere
uitgevers)
op
slechts
één
voor
de
hand
liggend
punt
veranderd:
de
bes
bij
‘mijn’
is
een
a
geworden.
We
zien
dan
dus
driemaal
het
zelfde
motief:
regel
1
op
F,
regel
2
op
A
en
regel
3
op
G
met
een
kleine ‘versiering’.
Voordat
ik
de
Zangstukjes
van
Jan
de
Liefde
onder
ogen
had
gehad,
veronderstelde
ik
dat
we
hier
te
maken
hadden
met
een
anoniem,
mondeling
overgeleverd
wijsje
dat
lijkt
op
‘’k Heb
een
stuiver
in
mijn
hand’
of
‘Taler,
Taler,
du
mußt
wandern’.
Maar
De
Liefde
vermeldt
een
‘echte’
componist:
Withauer.
In
de
Clavier-
und
Singstücke
van
Johann
Georg
Witthauer
(1750-1802)
vinden
we
inderdaad
een
sterk
gelijkende
melodie
(Z
AHN
1247),
maar
in
een
andere
maatsoort
(6/8).
De
bekende
predikant/hymnoloog
Hendrik
Hasper
(1886-1974)
publiceerde
deze
melodie,
met
een
eigen
vertaling
van
de
tekst,
in
Geestelijke
liederen
uit
den
schat
van
de
Kerk
der
eeuwen
(Lied
638).
Deze versie heeft weinig ingang gevonden.
Luise Hensel
De
oorspronkelijke
Duitse
tekst
is
van
de
hand
van
de
dichteres
Luise
Hensel.
Zij
werd
in
1798
in
Linum
bij
Fehrbellin
(in
de
huidige
deelstaat
Brandenburg)
geboren
als
dochter
in
een
piëtistisch-luthers
predikantsgezin.
Na
het
vroege
overlijden
van
de
vader
verhuisde
het
gezin
naar
Berlijn.
Door
haar
oudere
broer,
de
schilder
Wilhelm
Hensel
(die
in
1829
met
Fanny
Mendelssohn
trouwde)
raakte
Luise
betrokken
bij
de
Berlijnse
romantische
kunstenaars
kringen
en
ontmoette
zij
onder
anderen
de
dichters
Wilhelm
Müller
en
Clemens
Brentano.
Müller
was
hevig
verliefd
op
haar,
maar
zijn
gevoelens
werden
niet
beantwoord
(een
verdriet
dat
doorklinkt
in
zijn
gedichtencyclus
Winterreise
).
Met
Brentano
verbond
haar
een
hartstochtelijk
verlangen
naar
een
intense,
mystieke
geloofservaring.
Door
Brentano’s
invloed
be
-
keerde
zij
zich
in
1818
tot
het
katholicisme
en
legde
ze
zelfs
de
kuisheidsgelofte
af.
Ook
haar
ontmoeting
met
Katharina
Emmerich,
een
kloosterlinge
die
de
stigmata
droeg,
speelde
daarbij
een
belangrijke
rol.
De
zorg
voor
het
zoontje
van
haar
vroeg
overleden
zuster
verhinderde
haar
echter
om
in
het
klooster
te
treden
en
zich
geheel
aan
Christus te wijden; dat gebeurde pas in de laatste jaren van haar leven (Klooster Paderborn, 1874-1876).
Al
vroeg
schreef
Luise
geestelijke
gedichten.
In
de
herfst
van
1816
stuurde
zij
er
enkele
naar
Clemens
Brentano,
die
in
die
tijd
in
een
diepe
geestelijke
crisis
verkeerde.
In
één
van
zijn
brieven
vertelt
hij
dat
de
eenvoudige,
van
een
kinder
-
lijk
geloof
getuigende
verzen
hem
uit
zijn
vertwijfeling
hebben
gered
en
uit
een
diep
dal
hebben
getrokken.
Bij
die
liederen
was
ook
‘Müde
bin
ich,
geh
zur
Ruh’.
Door
bemiddeling
van
Brentano
kreeg
Luise
de
gelegenheid
om
haar
gedichten
te
publiceren,
aanvankelijk
onder
het
pseudoniem
Ludwiga.
Overigens
ging
Brentano
naar
huidige
maatstaven
niet
erg
respectvol
met
haar
verzen
om;
hij
bracht
eigenmachtig
‘verbeteringen’
aan,
voegde
soms
coupletten
toe
en
publi
-
ceerde
ze
vaak
zonder
vermelding
van
de
auteur,
zodat
ze
ten
onrechte
aan
hemzelf
werden
toegeschreven.
(Ook
in
de
beroemde
verzameling
oude
volkslie
-
deren
die
Brentano
samen
met
Achim
von
Arnim
uitgaf
onder
de
titel
Des
Knaben
Wunderhorn
,
werden
de
oude
teksten
door
beide
samenstellers
‘
künstle
-
risch
bearbeitet
’
en
aangepast
aan
het
gangbare
romantische
ideaalbeeld
van
een glorieus vaderlands verleden.)
Uit
bovenstaande
beknopte
beschrijving
van
de
tijd
en
de
omstandigheden
waarin
Luise
Hensel
leefde,
krijgen
we
misschien
enig
gevoel
voor
de
religieuze
en
culturele
context
waarin
we
haar
liederen
moeten
plaatsen.
Zij
was
een
vrouw
voor
wie
het
lutherse
piëtisme,
hoeveel
nadruk
daarin
ook
mocht
liggen
op
de
persoonlijke
geloofsbeleving,
toch
te
rationalistisch
was.
Haar
hang
naar
mystiek
en
haar
voor
de
Romantiek
zo
kenmerkende
gevoelens
van
Wehmut
en
Weltschmerz
hebben
haar
leven
en
werk
een
donkere
kleur
gegeven.
Bovendien
moest
ze
als
ongehuwde
vrouw
in
haar
eigen
levensonderhoud
voorzien,
als
gezelschapsdame,
gouvernante
of
lerares
–
vaak
kortdurende
functies
waardoor
ze
een
zwervend
bestaan
leidde.
‘
Mein
Leben
ist
wahrhaftig
ein
rechtes
Pilgerleben,
und
mir
ist
die
-
ser
beständiger
Wechsel
sehr
unbequem
.’
Zo
krijgt
zelfs
de
kinderlijk
onschuldige
regel
‘Müde
bin
ich,
geh
zur
Ruh’
die
haar als adolescent uit de pen vloeide, met terugwerkende kracht een donker randje.
Jan de Liefde, Zangstukjes voor scholen en huisgezinnen
Zie: A. Pierson, Oudere Tijd-
genooten (1888). Vierde
druk, met annotaties, be-
zorgd door P.L. Schram.
Amsterdam 1982, p.111.
Luise Hensel,
getekend door haar broer Wilhelm
Nachtgebet
Het
is
de
moeite
waard
om
de
tekst
van
Luise’s
Nachtgebet
(of
Abendlied
)
nader
te
bekijken.
De
Duitse
theoloog
en
dichter
Jürgen
H
ENKYS
(1929-
2015)
heeft
gewezen
op
het
lutherse
taalveld
van
dit
lied
en
op
de
verwant
schap
met
Paul
Gerhardt,
bijvoor
beeld
in
diens
beroemde
avond
lied
‘Nun
ruhen
alle
Wälder’:
Mein
Augen
stehn
verdrossen,
im
Nu
sind
sie
ge
-
schlossen.
Wo
bleibt
dann
Leib
und
Seel?
Nimm
sie
zu
deinen
Gnaden,
sei
gut
für allen Schaden, du Aug und Wächter Israel.’
In
de
eerste
twee
strofen
van
het
lied
gaat
het
om
de
innerlijke
wereld
van
de
‘ik’
die
spreekt.
Zijn
of
haar
persoon
lijke
verhouding
tot
God
staat
centraal.
Dan
verbreedt
het
gebed
zich
tot
een
voorbede
voor
familie,
vrienden
en
bekenden
(‘Alle,
die
mir
sind
verwandt’)
en
dan,
nog
breder,
tot
‘Alle
Menschen’
die
in
zorg
en
verdriet
verkeren
(‘gewonde
harten
en
betraande
ogen’).
Hun
wordt
de
rust,
de
overgave
toegewenst
waaraan
de
ik
die
dit
gebed
uitspreekt
of
zingt
zich
ook weet te kunnen toevertrouwen.
In
de
twintigste
eeuw
hebben
sommigen
kritiek
geuit
op
Luise
Hensels
kinderlijke
avondlied.
Waar
bleef
de
politieke
verantwoordelijkheid,
de
Not
der
ganzen
Welt
?
Er
verschenen
zelfs
extra
coupletjes;
één
ervan
eindigt
met
‘Schenk
uns
Frieden,
bann
den
Krieg.
/
Dir
gehört
der
letzte
Sieg.’
Maar
iedereen
voelt
wel
aan,
dat
dit
uit de toon valt. Luise was geen lid van de twintigste-eeuwse vredesbeweging...
Maar
waar
komt,
na
de
‘zieke
harten
en
betraande
ogen’
in
strofe
4
ineens
de
maan
vandaan
die
boven
‘de
stille
wereld’
staat?
Ook
het
antwoord
daarop
vinden
we
in
de
piëtistisch-lutherse
traditie.
Denk
bijvoorbeeld
aan
het
avondlied
‘Der
Mond
ist
aufgegangen’
van
Matthias
Claudius
(in
Liedboek-2013
is
zowel
de
Duitse
tekst
als
de
Nederlandse
vertaling
afgedrukt:
Lied
246
a
en
b).
De
maan
die
stil
neerkijkt
op
een
aarde
die
er
‘stil
en
klaar’
bijligt,
is
de
poëtische
en
troostende
metafoor
voor
het
wakende
en
beschermende
oog
van
God
aan
wie
we
ons
toever
trouwen;
in
de
eerste
strofe
persoonlijk,
in
de
intimiteit
van
onze
eigen
slaap
kamer,
in
de
laatste
strofe
met
allen
en
alles
in
deze
wereld.
Opvallend
is
dat
het
manuscript
van
Luise
Hensel
in
de
vierde
strofe
afwijkt
van
de
gedrukte
ver
-
sie.
Het
verband
tussen
de
eerste
en
de
laatste
strofe
is
daardoor
nog
duidelijker:
in
het
handschrift
zijn
de
Herzen
in
strofe
4
niet
krank
maar
müde
.
Net
als
in
het
eerste
couplet
zien
we
dus
ook
hier
de
tegenstelling
müde
-
Ruh
,
en
in
de
rij
-
mende tweede regel bij beide strofen de woorden
schließe - zu
.
J. HENKYS, ‘Müde bin ich, geh
zur Ruh’ in: Hansjakob
Becker e.a. (red.),
Geistliches Wunderhorn.
editie München 2009, p.401.
R. Görisch, ‘Müde bin ich,
geh zur Ruh’ in: G. Hahn
en J. Henkys (red.),
Liederkunde zum
Evangelischen Gesang-
buch, Heft 8. Göttingen
2003, p.74-79 (ook voor
verdere literatuur en
bronnen).
W. Kloppenburg, Liederen
van het vroom gemoed.
Klinkende getuigenissen uit
een bewogen eeuw. Amstel-
veen 2010.
De Duitse melodie
Zoals
ik
hierboven
al
aangaf
wordt
‘Müde
bin
ich,
geh
zur
Ruh’
in
Duitsland
gewoonlijk
op
een
andere
wijs
gezongen
dan
in
Nederland.
De
eerste
uitgave
met
muziek
vinden
we
in
Lieder-Buch
für
Klein
kinder-Schulen
und
die
untern
Klassen der Elementar-Schulen
[...]
herausgegeben von Theodor Fliedner
. Kaiserswerth 1842 (p.13-14).
Volgens
het
titelblad
was
het
boek
was
te
verkrijgen
bij
het
Diakones
sen
-
huis
in
Kaiserswerth
en
kwam
de
opbrengst
ten
goede
aan
het
werk
van
de
diakonessen.
Theodor
Fliedner
was
predikant
en
oprichter
van
een
aantal
verpleeg
inrichtingen,
‘waar
vrouwen
kansen
kregen
om
haar
leven
rijker
te
maken en een plaats kregen in het Christelijke barm
hartig
heids
werk’.
Fliedner
was
ook
bekend
in
Nederland,
waar
zijn
werk
veel
navolging
vond.
Er
zijn
in
de
tweede
helft
van
de
negentiende
eeuw
veel
Nederlandse
Diakonessenhuizen
opgericht
–
‘behoorende
tot
den
Kaiserswerther-Bond’.
Meestal
hadden
ze
een
eigen
liedbundel,
met
een
aparte
rubriek
‘Roeping
en Taak van de Zusters’.
Wie
de
melodie
van
‘Müde
bin
ich,
geh
zur
Ruh’
heeft
geschreven
is
onbe
-
kend.
Fliedner
meldt
slechts
dat
verschillende
mensen
hem
behulpzaam
zijn
geweest
bij
het
uitzoeken
van
de
melodieën;
vaak
zijn
het
bekende
volkswijsjes
die
we
ook
elders
aantreffen,
maar
voor
nevenstaande
melodie
is
Kaiserswerth-1842
de
oudst
bekende
bron.
Opvallend
is
de
‘
seufzer
’
(‘zucht’,
een
muzikaal
motief)
op
Ruh
en
zu
.
Verder
is
het,
net
als
‘Ik
ga
slapen’
geen
bijzonder
waardevolle
melodie.
De
vorm
is
heel
simpel:
regel
2
herhaalt
regel
1
een
toon
hoger;
regel
3
begint
met
hetzelfde
motief
wéér
een
toon
hoger
maar
verandert
dan
van
richting
en
eindigt
met
een
stijgende
sextsprong
die
in
de
melodisch
zelfstan
dige
vierde
regel
wordt
beantwoord
met
een
dalende
sext
sprong.
Overigens
is
de
laatste
volle
-
dige
maat
in
sommige
uitgaven
glad
gestreken
en
eindigt
de
melodie
eenvoudig
met
sol-fa-mi-re-do
(zoals
in
het
liedje ‘Drei Chinesen mit dem Kontrabass’…).
Ook
in
de
Kaiserswerther
uitgave
zijn
kleine
en
grotere
wijzigingen
in
de
tekst
aangebracht.
De
Aüglein
zijn
Augen
geworden.
Het
woordje
ja
(im
-
mers)
uit
het
tweede
couplet
ontbreekt.
Vond
men
het
te
stellig,
te
vanzelf
-
sprekend
klinken?
Strofe
3:
niet
Sollen
maar
Lasse
dir
befohlen
sein
,
wat
‘bescheidener’
klinkt,
meer
als
een
bede.
De
maan
en
de
stille
wereld
in
het
vierde
couplet
zijn
helemaal
verdwenen
en
vervangen
door
de
engel
die
ons
beschermt.
In
de
loop
van
de
negentiende
eeuw
wordt
de
melodie
uit
Kaiserswerth
in
verschillende
bundels
overgenomen,
soms
met
wijzigingen.
In
enkele
bun
-
dels
uit
het
einde
van
de
negentiende
eeuw
verandert
de
maatsoort
van
2/4
in
4/4,
met
als
gevolg
dat
elke
regel
eindigt
met
een
lange
noot
en
een
rust, zodat er grote ‘gaten’ tussen de regels vallen.
Als
in
latere
uitgaven
de
voorslag
wordt
weggelaten,
krijgt
de
melodie
uit
-
eindelijk
de
vorm
die
we
als
Lied
484
aantreffen
in
het
Evangelisches
Gesangbuch
(1993).
In
de
tekst
van
strofe
4
is
in
overeenstemming
met
het
manuscript gekozen voor het woord
müde
in plaats van
krank
(zie G
ÖRISCH
).
‘Miniatuur-kunstlied’ in
Stem en snaren
In
1882
verscheen
in
Nederland
in
Christelijk
Gereformeerde
kring,
met
goedkeuring
van
de
Synode,
een
bijzonder
liedboekje
met
geestelijke
liederen.
Uiteraard
was
dit
boekje
nadrukkelijk
bedoeld
voor
gebruik
in
‘christengezinnen,
de
zondagsschool
en
de
christelijke
scholen’.
In
de
kerkdienst
zong
men
immers
uitsluitend
psalmen;
de
‘gezangen
-
kwestie’
was
één
van
de
breekpunten
bij
de
Afscheiding,
de
kerkscheiding
van
1834.
Dat
verhaal
laat
ik
nu
verder
rusten;
over
die
kwestie
is
genoeg
informatie
te
vinden,
en
ook
in
mijn
boekje
over
de
negentiende-eeuwse
Réveil
-
beweging heb ik er enkele hoofdstukken aan gewijd.
Dat
we
in
de
bundel
Stem
en
Snaren
het
lied
‘Ik
ga
slapen,
ik
ben
moe’
tegenkomen
is
niet
zo
verrassend.
Wel
ver
-
rassend
is
de
melodie
die
erbij
is
afgedrukt:
niet
de
in
Nederland
gebruikelijke,
maar
de
Duitse.
Daar
is
echter
iets
vreemds
mee
gebeurd:
het
lied
begint
niet
op
de
grondtoon,
maar
op
de
terts,
sterker
nog,
de
eerste
drie
regels
staan
in
hun
geheel
een
terts
hoger!
Daardoor
krijgt
de
melodie
uiteraard
een
heel
andere
klankkleur,
een
beetje
zwevender,
ja
zelfs
een
beetje
negentiende-eeuws
romantisch,
wat
nog
versterkt
wordt
door
de
effectvolle
piano
-
begeleiding
waarbij
de
(kruisende)
linkerhand
in
de
discant
het
avondklokje
mag
nabootsen!
Voor
een
bundel
uit
af
-
gescheiden
kring
is
het
welhaast
frivool
te
noemen...
De
laatste
regel
staat
eindelijk
op
de
normale
hoogte,
met
het
vereenvoudigde slot sol-fa-mi-re-do. Let vooral ook op de tekst, met name de laatste regel!
Helaas vinden we in de bundel
Stem en Snaren
geen bronvermelding;
de
inhoudsopgave
meldt
slechts
‘Avondgebed,
uit
het
Duitsch’.
De
tekst
-
aanpassingen
zijn
zonder
twijfel
van
de
redactie
die
bestond
uit
christe
-
lijk
gereformeerde
predikanten
en
docenten
aan
de
Theologische
School
te
Kampen.
De
meewerkende
musici,
die
verschillende
nieuwe
melo
-
dieën
en
zettingen
hebben
bijgedragen,
blijven
helaas
anoniem.
Het
voorwoord
besteedt
aan
hun
werk
slechts
één
zin:
‘
Allen
die
haar
[de
redactie
commissie;
wk
]
het
muzikaal
gedeelte
harer
taak
door
vriende
-
lijke
hulp
verlicht
hebben,
bieden
wij
onzen
hartelijken
dank!
’
We
zullen
er
dus
wel
nooit
achterkomen
wie
degene
was
die
van
het
simpele
kin
-
dergebedje een romantisch miniatuur-kunstlied maakte!
Fliedner, Lieder-Buch für Kleinkinder-Schulen…
‘Ik ga slapen, ik ben moe’ uit de bundel Stem en
Snaren, wordt gezongen door de vrouwen van de
Matinencantorij, onder leiding van en begeleid door
Wim Kloppenburg. De opname komt van de cd bij het
boek Liederen van het vroom gemoed, Amstelveen,
2010). De pianobegeleiding kunt u downloaden in
PDF-formaat.
Zie onder het lemma Hensel,
L(o)uise in:
- Wolfgang Herbst, Wer ist
wer im Gesangbuch, Göt-
tingen 1905.
- Killy Literaturlexikon Band
5, Berlijn 2009.
‘Müde bin ich, geh zur Ruh’
De bijzondere geschiedenis van een ogenschijnlijk simpel kinderliedje
De
bundel
Verzamelde
liederen
van
Guillaume
van
der
Graft/Willem
Barnard
eindigt
met
een
heel
kort
versje,
ge
-
titeld
‘Maranatha’.
Barnard
tekent
daarbij
aan:
‘Dit
slotversje
kan
men
zingen
op
de
wijs
van
‘Ik
ga
slapen,
ik
ben
moe’.
Voor
de
bundel
In
wind
en
vuur
(de
monumentale
driedelige
uitgave
met
alle
liederen
van
Barnard,
ver
-
schenen
bij
Skandalon,
2023)
heb
ik
in
opdracht
van
de
redactie
gezocht
naar
de
herkomst
van
dit
bekende
avondgebedje.
Die
zoektocht
leverde
méér
op
dan
een
kort
lemma
in
de
Barnardbundel.
Juist
doordat
het
lied
zo
bekend
is
–
of
in
ieder
geval
een
aantal
generaties
lang
gewéést
is
–
bestaan
er
van
zowel
de
tekst
als
de
melo
-
die
uiteenlopende
versies.
De
tekst
komt
uit
Duitsland,
maar
daar
zingt
men
het
op
een
heel
andere
melodie.
De
oorsprong
van
het
lied
ligt
in
de
vroege
Romantiek,
de
tijd
van
Felix
en
Fanny
Mendelssohn.
Maar
we
beginnen
in
Nederland.
Zoeken naar dit liedje op internet
levert duizenden treffers op.
t.Luise Hensel, v.Jan de Liefde, m.trad. (J.G. Witthauer?)
Ik vermoed dat de 6/8 versie
een variatie van Witthauer is
op het 4/4 origineel, maar ik
heb daar geen verdere bron-
nen voor kunnen vinden.
1.Müde bin ich, geh zur Ruh’,
Schließe beide Äuglein zu:
Vater, laß die Augen dein
Über meinem Bette sein!
2.Hab’ ich Unrecht heut getan,
Sieh es, lieber Gott, nicht an!
Deine Gnad’ und Jesu Blut
Macht ja allen Schaden gut.
3.Alle, die mir sind verwandt,
Gott, laß ruhn in deiner Hand!
Alle Menschen, groß und klein,
Sollen dir befohlen sein.
4.Kranken Herzen sende Ruh’,
Nasse Augen schließe zu!
Laß den Mond am Himmel stehn
Und die stille Welt besehn!
Jan de Liefde
1.’k Ga ter ruste; ik ben moe.
’k Sluit mijn oogjes beide toe.
Heere! houd ook dezen nacht
Weder over mij de wacht.
2.’t Booze, dat ik heb gedaan,
Zie het, Heere, toch niet aan!
Schoon mijn zonden vele zijn,
Maak om Jezus wil mij rein.
3. Sta mijn ouders trouw terzij,
Wees mijn vriendjes ook nabij,
Geef mijn meesters nieuwe kracht
Door de rust van dezen nacht.
4. Zorg voor de arme kind’ren, Heer!
En herstel de zieken weêr,
En voor alle menschen saam,
Bid ik U in Jezus naam.
5. Doe mij dankbaar en gezond
opstaan in den morgenstond,
Als ’k mijn oogen open doe,
Lache uw zon mij vriend’lijk toe!
In
couplet
1
en
2
volgt
De
Liefde
vrij
nauw
keurig
de
in
-
houd
van
de
Duitse
tekst,
maar
de
voor
een
kinder
-
gebedje
nogal
‘zware’
dogmatische
verwij
zing
naar
de
verzoening
door
Jezus’
bloed
laat
hij
weg.
Hij
wil
kenne
-
lijk
de
kinderlijke
toon
van
het
begin
handhaven,
en
als
het
gebed
zich
verbreedt
tot
echte
voorbede
voor
de
naaste
kring,
maakt
hij
deze
kring
concreter
dan
in
het
origineel.
Ze
worden
allemaal
genoemd:
ouders,
vriend
-
jes,
meesters
–
en
dan
nog
breder:
arme
kinde
ren,
zie
-
ken,
ja
alle
mensen.
Tot
slot
voegt
hij
een
vijfde
couplet
toe
met
een
verwijzing
naar
de
volgende
morgen,
als
wij
verkwikt
weer
opstaan
en
God
ons
een
nieuwe
dag
schenkt.
Het
lied
eindigt
bij
hem
dus
niet
met
de
maan
maar met de zon!
Nog
weer
anders
doet
Hasper
het.
Hij
maakt
het
lied
juist
iets
minder
kinderlijk
(geen
oogjes
maar
oogen
),
hoewel
de
bidder
God
toch
aanspreekt
als
Vader
,
en
zichzelf
dus
in
een
kind-relatie
plaatst.
Net
als
bij
De
Liefde
lopen
de
eerste
twee
strofen
parallel
aan
het
origineel.
Maar
dan
springt
Hasper
naar
de
inhoud
van
het
Duitse
vierde
cou
-
plet,
met
de
bange
harten,
de
droeve
oogen…
en
de
maan!
Daarmee
doorbreekt
hij
de
logische
opbouw
van
het
origineel
(eerst
de
bidder
persoonlijk,
dan
de
directe
naasten
en
tenslotte
‘alle
mensen’).
De
laatste
twee
re
-
gels
gebruikt
Hasper
voor
het
thema
waaraan
De
Liefde
een
extra
couplet
wijdde:
de
zon
die
Gods
nieuwe
mor
-
gen aankondigt na de rust van de nacht.
Origineel en vertalingen vergeleken
De eerste strofe van het
handschrift van Luise
Hensel is overgenomen uit
Deutsche Gedichte in
Handschriften. Leipzig z.j.
(1935). Het originele manu-
script is in WO II verloren
gegaan.
Evangelisches Gesangbuch Lied 484
Johannes ZAHN, Die Melodien
der Deutschen Evangelischen
Kirchenlieder, Gütersloh
1893. Fotografische herdruk
Hildesheim 1963.
Gepubliceerd in M&L 2017 nr.5.
Bewerkt en aangevuld 2021 en 2026.
Bronnen: zie linker kolom.
Hendrik Hasper
1. Ik ga slapen, ik ben moe,
doe mijn beide oogen toe.
Vader, houd Gij in den nacht
over mij getrouw de wacht.
2. Heb ik, Heer, soms kwaad gedaan,
zie mij in genade aan.
Vader, heb met mij geduld
en vergeef mij al mijn schuld.
3. Gij, die bange harten sust,
geef aan droeve oogen rust.
Aan den hemel zie uw maan
stil de slapende aarde aan.
4. Leg in uwe schuilpaats neer
allen, die mij lief zijn, Heer!
Vader, geef ons uwe rust,
tot de zon ons wakker kust.