© Wim Kloppenburg, laatste update 9 maart 2023
Made with MAGIX Web Designer Premium
Gij werken des Heren, zegent de Heer

Over een vurig lied en een auto in brand

bladeren
Gepubliceerd in M&L 2014 nr.2. Voor deze website bewerkt in mei 2021.
bladeren
Eén van de meest uitbundige en aanstekelijke liederen van Willem Barnard en Frits Mehrtens is de bewerking van het canticum Benedicite opera omniaAlle gij werken des Heren, zegent de Heer het grandioze loflied van de tres pueri, de drie jonge mannen in de vurige oven van Nebukadnessar. Barnard schreef dit lied voor de twintigste zondag na Pinksteren, maar het is ook zeer op z’n plaats in de Paasnacht.

Sadrach, Mesach en Abednego

Het lied van Sadrach, Mesach en Abednego, de drie jonge mannen in het vuur, is te vinden in het apocriefe deel van het boek Daniël (in de Griekse tekst ingevoegd in hoofdstuk 3 na vers 23, in de NBV-uitgave met deuterocanonieke boeken te vinden bij de ‘Toevoegingen aan Daniël’). Na hun herhaalde weigering om te knielen voor koning Nebukadnessar worden de drie mannen geboeid en in het vuur geworpen. Tot zijn verbijstering ziet de koning dan hoe er vier mannen ongedeerd door de vlammen lopen, de drie gevangenen en een vierde, ‘met de gestalte van een godenzoon’. En zij zingen een loflied ter ere van de God van Israël. In de herfsttijd van het Kerkelijk Jaar horen we verschillende ‘echo’s uit Babylon’. In het oude Romeinse Missaal is de introitus-antifoon van de twintigste zondag na Pinksteren opvallend lang; er klinken woorden uit het gebed van Azarja, midden uit het vuur. En het offertorium, ‘Super flumina Babylonis’, is ontleend aan Psalm 137, het lied uit de ballingschap: ‘Aan Babels stromen zaten wij en weenden’. In het epistel (Efeziërs 5) maant Paulus ons dat de tijden boos zijn en dat we dus moeten zingen: psalmen, hymnen en geestelijke liederen. Het was deze combinatie van liturgische gegevens die Barnard inspireerde tot twee van zijn mooiste liederen, - ‘Wij moeten Gode zingen’ (Van de lier aan de wilgen, naar Psalm 137; zie LbK 301/LB 713) en - ‘Gij werken des Heren’ (Het lied van de drie mannen in het vuur; zie ZG4,73/LB 154a). Het eerste lied is in allerlei bundels gepubliceerd en werd al spoedig bekend en geliefd; het tweede, hoewel ontstaan in dezelfde periode van de Nocturnen, eind jaren ’50 van de vorige eeuw, staat niet in de Adem van het Jaar, niet in het Liedboek voor de Kerken en zelfs niet in de Verzamelde Liederen van Barnard of in één van zijn andere bundels. Pas na publicatie in deel 4 van Zingend Geloven (1991), kreeg het lied een bredere bekendheid.

Een onontkoombaar ritme

Barnard hanteert in het lied van de drie mannen in het vuur niet de vorm van een strofisch gedicht. De extatische aansporing aan alle schepselen en aan de hele schepping om de Heer te zegenen bestaat uit een rijmloze – en bijna ademloze – opsomming, die door het onontkoombare ritme als vanzelf een lied wordt. Alles zegent de Heer: engelen, wind, regen, bliksem, wolken, aarde, bergen, rivieren, zeeën, bomen, gras, bloemen. Die ‘eindeloze’ lofzegging van 3x3 coupletten (B), opklinkend tegen alle verdrukking, ja tegen de verzengende hitte van het vuur in, wordt voorafgegaan en twee maal onderbroken door een tweeregelig refrein (A) met een wisselende aanhef: Gij werken des Heren - Gij aarde des Heren - Gij Israël, volk van God. De mannen in het vuur hóren bij dat volk, daarom heten ze in strofe 12 niet Sadrach, Mesach en Abednego, maar worden ze genoemd met hun Hebreeuwse namen: Hananja, Asarja en Misaël. Daarna volgt nog één keer het refrein, dit keer met als aanhef De Heer is verheven.

‘Lyrische zwierigheid’

Over de melodie die Mehrtens voor deze grandioze tekst schreef laat ik graag de Vlaamse priester-musicus Ignace de Sutter (1911-1988) aan het woord: De melodische structuur die Frits Mehrtens voor Barnard’s tekst componeerde, is van een apart boeiende makelij. Het geheel beweegt zich in een mineur-sfeer, die niettemin een feestelijk karakter behoudt, dank zij het levendig ritme, een paar wijde boogsprongen en de breed-uitwaaierende lyrische zwierigheid van de melismatische boog op het eindvers: ‘zegent’. De melodische spanning wordt onverzwakt levendig gehouden door een weldoend contrast tussen de lage reciteertoon van de strofe en de breed-uitgemeten heffingen van het responsum-refrein. De feestelijk stijgende kwint op ‘Gij werken des Heren’, duidelijk verwant met bepaalde intonaties uit het Geneefse Psalter (ps. 24, 65 en 91 bv.), verwijdt zich tekenend tot een sext-sprong op de woorden ‘verheft Hem’, terwijl het eindwoord ‘eeuwigheid’ even zinvol-bij-de-tekst op de dominant blijft voortzweven... Voor de zangpractijk in gemeenschap leent zich de drieledigheid van de B-strofe op haar beurt uitstekend tot allerlei zinvolle afwisseling over hoge en lage stemmen of solistische en choristische tekstverdeling. Frits Mehrtens hoorde bij zijn melodieën altijd meteen een begeleiding. Die is dan ook onmisbaar: een markante lopende bas in de coupletten, met als contrast een liggende grondtoon in het refrein (zie de meerstemmige uitgave van Zingend Geloven of de begeleidingsbundel bij het Liedboek). Mehrtens tekende erbij aan: ‘Dit lied wordt als één doorlopend geheel, in marsachtig tempo gezongen’. De baspartij moet uiteraard enigszins non-legato gespeeld worden voor de nodige drive! Als ik me goed herinner was het speciaal voor dit lied dat Mehrtens een groot Zildjian-bekken aanschafte.

Liturgische functie

Behalve op Zondag XX na Pinksteren is dit lied ook op z’n plaats in de viering van de Paasnacht. In de oorspronkelijke reeks van twaalf oudtestamentische lezingen is Daniël 3 de laatste, die men kan afsluiten met het Benedicite opera omnia. Maar Willem Barnard heeft vooral gedacht aan de kleur van de liturgie in de herfst, als de introïtusantifonen en de klassieke gebedsteksten in de ballingschapstoon staan, het licht van Pasen soms al zo ver weg lijkt en het aanheffen van de lofzang niet vanzelf gaat (‘Wij moeten Gode zingen...’). In zijn bundel Op een stoel staan schrijft hij daarover: En het is deze samenvoeging van uitersten, ellende én lofzang, die de aandacht trok van o.a. Tom Naastepad en Frits Mehrtens en mijzelf. Wij beseften, dat we hier gestuit waren op een inzicht dat eigen is aan aan de kerkzang van huis uit. Naarmate men verder van de paasvreugde af is moet men des te gehoorzamer zingen. Men moet zich het geloof te binnen zingen. Het kerklied is er niet voor de vrije expressie, maar als oefenschool in de volharding. Het woord ‘doe dit tot mijn gedachtenis’ geldt ook hier. Zingen, zei Naastepad, doe je uit ademnood. En toen Mehrtens voor het eerst met de Nocturnengemeente in Amsterdam zijn baanbrekende muziek gezongen had bij de tekst van de lofzang in Daniël 3, was hij in het geheel niet verbaasd dat zijn oeroude auto, waarin hij ons naar huis vervoerde, net op die avond in brand vloog. Wij hebben het vuur zingende opgeroepen, peinsde hij, wij hebben té goed gezongen...

De oorspronkelijke tekst

Helaas is de tekst van het lied in ZG en LB niet geheel correct. Toen ik in 2005 betrokken was bij de digitalisering van het materiaal van Zingend Geloven heb ik daarover met Barnard gecorrespondeerd, wat resulteerde in enkele kleine correcties. Ik heb deze toen doorgevoerd in de cdrom-uitgave van ZG, maar dit is de samenstellers van het nieuwe liedboek blijkbaar ontgaan. Daarom volgt hieronder de door Barnard geautoriseerde tekst. Ter verduidelijking van de structuur heb ik de refreinen cursief gedrukt. De correcties zijn gemarkeerd. (Naderhand vond ik nog een vergeeld liturgiestencil van de Nocturnedienst van 25 oktober 1960, de dinsdag na de twintigste zondag na Pinksteren, waarvan de tekst overeenkomt met de onderstaande correcties.) passim Het eerste wat in het Liedboek uiteraard opvalt (maar wat ik in de liedtekst hiernaast niet heb gemarkeerd) zijn de verdwenen meervouds-t’s (‘zegent de Heer’). Zie over die kwestie de pagina Bezin eer ge begint. In het genoemde stencil uit 1960 staat tweemaal een gebiedende wijs enkelvoud, namelijk in de strofen 5 en 9, als de aarde en Israël (enkelvoud) worden aangesproken. Maar in de tweede regel staat looft en verheft, omdat het een refreinregel is die in alle A-strofen terugkomt en, zoals uit strofe 13 blijkt, een imperatief is die op alles en allen betrekking heeft. 7,2 ZG in het water LB in ’t water ZG heeft dus een lettergreep teveel. LB corrigeert dat door het lidwoord af te korten. In de oorspronkelijke tekst staat geen lidwoord. 9,1 De Sutter heeft hier Gods volk. Deze wijziging is kennelijk bedoeld om de ritmische oneffenheid in dit refrein glad te strijken. Bij volk van God moet immers vanwege de extra lettergreep een kwartnoot verdeeld worden in twee achtsten. ZG drukt de twee achtsten af in het notenbeeld, LB noteert terecht volk van God. Het levert naar mijn ervaring bij het zingen geen enkel probleem op, en de ‘correctie’ van De Sutter lijkt mij dan ook overbodig. 12,1 ZG en LB Bevrijd Het ligt niet voor de hand dat de dichter hier hetzelfde woord zou gebruiken als in 11,2. De juiste tekst is verlost. Bovendien eindigt bij Barnard strofe 11 met een komma en begint strofe 12 met een kleine letter. De zin loopt immers door. Het is verheugend dat de meeslepende tekst- en toonzetting van het Benedicite opera omnia nu eindelijk in het Liedboek staat. Maar plakt u er dan alstublieft al die t’s weer in, al was het maar voor de klank. Probeer het maar, en ontdek hoeveel makkelijker het zingt en hoeveel beter het klinkt!
Oorspronkelijke tekst 1. Gij werken des Heren, zegent de Heer, ja looft en verheft Hem in eeuwigheid. 2. Gij engelen, hemelse machten, gij sterren des hemels, gij zon en gij maan, zegent de Heer. 3. Gij winden van God en gij regen, gij sneeuw en gij ijs en gij hitte en vuur, zegent de Heer. 4. Gij bliksems en donkere wolken, gij nachten en dagen, gij duister en licht, zegent de Heer. 5. Gij aarde des Heren, zegen de Heer, ja looft en verheft Hem in eeuwigheid. 6. Gij bergen en glooiende heuvels, rivieren en zeeën en gij oceaan, zegent de Heer. 7. Gij bomen, gij gras en gij bloemen, gij vissen en wat er in water bestaat, zegent de Heer. 8. Gij vogels omhoog en gij dieren, gij mensen die over de aarde krioelt, zegent de Heer. 9. Gij Israël, volk van God, zegen de Heer, ja looft en verheft Hem in eeuwigheid. 10. Gij priesters en dienaars des Heren, gij geesten en zielen der kinderen Gods, zegent de Heer. 11. Die nederig zijt in het leven, looft God, want Hij heeft ons bevrijd uit de hel, zegent de Heer, 12 verlost uit de laaiende vlammen, Hananja, Asarja en Misaël, zegent de Heer. 13. De Heer is verheven, zegent de Heer, ja looft en verheft Hem in eeuwigheid.
Ignace de Sutter, De dienst van het lied. Brugge 1974, p.176. Op p.267 is het lied afgedrukt, helaas een kleine terts omlaag getransponeerd. Anders dan men zou verwachten is het lied daarna niet opgenomen in de Vlaamse bundel Zingt Jubilate.
Willem Barnard, Op een stoel staan, deel 3, Herfst en winter. Haarlem 1979,
‘Maar ik zie vier mannen vrij wandelen midden in het vuur... en de vierde gelijkt op een zoon der goden!’ (Dan.3:25). Fragment van een tegelwand in de kathe- draal Saint-Rémi te Reims. Deze afbeelding is gebruikt als omslag van het bundeltje Ook in het vuur is Hij nabij, bijbelse liederen van Wonno Bleij. Zoetermeer 2011.
Helaas is er geen manuscript bekend van de begeleiding. Ik heb de zetting genoteerd zoals ik me deze van Mehrtens herinnerde. In de begeleidings- bundel van het LB is de zetting nogal compact genoteerd. De partituur op de bijgaande PDF heeft een overzichtelijker lay-out (sommige organisten raken bij een lied met veel coupletten wel eens de tel kwijt…).
Amsterdamse gevelsteen (Rijksmuseum)
t.Willem Barnard, m.Frits Mehrtens. LB 154a
‘Gij werken des Heren’, gezongen door het koor van de IKON-kinderdiensten o.l.v. Marijke Bleij-Pel m.m.v. Wim Kloppenburg, orgel.
Wim Kloppenburg  Hymnologie