© Wim Kloppenburg. Laatste update 6 februari 2024.
Made with Xara Web Designer+
bladeren
bladeren
Wim Kloppenburg  Hymnologie
Van ’t vroeglicht van de dageraad
t.Sedulius; v.J.W.Schulte Nordholt; m.ME/1524; LB 516; LbK gz.156

De tekst

De latijnse hymne ‘A solis ortus cardine’ van Caelius Sedulius (ca. 450) is een Abecedarium, de beginletters van de strofen vormen samen het alfabet, in dit geval de 23 letters van het latijnse alfabet. Het gedicht bezingt het leven van Christus: de verhalen rondom zijn geboorte, de wonderen, begin- nend bij de doop in de Jordaan, het verraad van Judas, de kruisiging, opstanding en hemelvaart. Dat alles in een zeer compacte en toch beelden- de taal. Het meest bekend geworden zijn de strofen over Kerstmis en Epifanie. Zie de liturgische gegevens en verdere uitleg in het Liedboekcompendium. Het Liedboek voor de Kerken en het Liedboek van 2013 geven slechts een beperkte keuze uit deze bijzondere hymne; de complete tekst van 23 coupletten, met de vertalingen van Luther en Schulte Nordholt vindt u in bijgaand PDF-bestand. De muzikale verschijningsvormen Aangezien de melodische gegevens in het Liedboekcompendium tamelijk summier zijn, ga ik hier graag wat dieper in op de geschiedenis van de melodie. ‘A solis ortus cardine’ is één van die oud-kerkelijke hymnen die Luther ‘verduitst’ heeft, dat wil zeggen dat hij niet alleen de latijnse tekst over- zetten in de volkstaal, maar tevens de melodie geschikt maakte voor de gemeentezang. Hij nam als het ware het snoeimes ter hand en bracht de vaak rijk versierde melodieën van de monnikszang terug tot de hoofdnoten. Entcolorieren wordt dat genoemd. Kolorieren (letterlijk kleuren) betekent in muzikale zin ‘een melodie versieren door omspelingen’. Luther doet het omgekeerde: hij ‘ontkrult’ de melodie tot op de grondvorm. Het bekendste voorbeeld is ‘Veni Creator Spiritus’ ‘Komm Gott Schöpfer Heiliger Geist’. Ook bij ‘A solis ortus cardine’ ‘Christum wir sollen loben schon’ heeft Luther een dergelijk procédé toegepast. In het Liedboekcompendium is ter vergelijking de hymne ‘A solis ortus’ uit het Liber Usualis afgedrukt. Volgens mij is dat echter niet de bron Luther gebruikt heeft, daaarvoor wijkt Luthers melodie teveel af. Om de vergelijking te vergemakkelijken heb ik in nevenstaand voorbeeld beide melodieën onder elkaar gezet in hedendaagse notatie (merk op hoe- veel mooier en compacter het kwadraatnotenschrift is!). Als we Luthers melodie vergelijken met het Liber Usualis zien we dat Luther de melodie een ritmische structuur geeft met – in modern notenschrift – hele, halve en kwartnoten. De melodische lijn blijft in de eerste drie regels intact; in regel 1 is de melodie met enkele kleine ingrepen syllabisch ge- maakt, en ook bij regel 2 en 3 zijn de overeenkomsten gemakkelijk te zien; in regel 3 vervalt eenvoudigweg de hele reeks versierende noten op ci-pem. Maar er zijn ook opvallende verschillen, afwijkingen die niet in overeenstem- ming zijn met de werkwijze die we kennen van andere hymne-bewerkingen van Luther. Regel 2 van de hymne eindigt bij het woord ‘limitem’ met drie b’s. Een opvallende en blijkbaar belangrijke noot op die plek. Waarom zou Luther, die altijd zo zorgvuldig kijkt naar de hoofdnoten van de gegeven melodie, daar- van afwijken en de b vervangen door een c? In regel 4 zien we op de laatste drie noten na helemaal geen overeenkomst tussen beide melodieën. Luther bereikt in drie stappen de septiem, terwijl de hymne binnen de omvang van een kwint geheel trapsgewijs verloopt. Frygisch-dorisch Wat verder opvalt, zowel in de latijnse hymne als in de versie van Luther, is het feit dat deze frygische melodie op het eerste gezicht en gehoor een dorische indruk maakt: in de gregoriaanse versie zien we stijgende en dalende motieven met de d als grondtoon (begin van regel 1en 4, het hele woord ‘Principem’ in regel 3), terwijl de laatste regel bij Luther doet denken aan de aanhef van de dorische vijfde Psalm uit het Geneefse Psalter. Bovendien is de ambitus een octaaf d 1 - d 2 (in de originele notatie eigenlijk een octaaf lager, de ligging van de mannenstem). Ik noemde al de herhaalde b in de latijnse versie. Meestal wordt in de frygische modus de b op een dergelijke belangrijke plek juist vermeden. Op een dergelijk dominant(!) punt is een a (hypo-frygisch) of een c (authentiek frygisch) gebruikelijker, zulks om te voorkomen dat er een, al dan niet verdekte, tritonus (overmatige kwart) ontstaat tussen de b en de in de frygische modus zo belangrijke f, de markante kleine secunde boven de finalis. Luthers bron De hierboven geconstateerde ‘afwijkingen’ leiden ons naar een andere bron. Luthers uitgangspunt was niet de melodie uit het Liber Usualis; hij heeft de melodie in die vorm waarschijnlijk niet eens gekend. Hij ging uit van de melodie zoals ze in de Duitstalige landen wijd verbreid was. We vinden die melodie behalve in de liturgische boeken (en in verschillende polyfone bewerkingen), ook in het beroemde muziektheoretische geschrift Dodeca- chordon van de humanistische geleerde Henricus Glareanus (1488-1563). In de eerste drie regels zijn de verschillen met het Liber Usualis vrij klein. Wel valt op dat de tweede regel eindigt op c en niet op b. Zoals ik hierboven al opmerkte, heeft dat te maken met de ‘horror tritoni’: zelfs op enige afstand van de f dient de b vermeden te worden. Ook de boven-wisseltoon bij ‘Principem’ en ‘Maria’, in sommige handschriften a-b-a, is hier a-c-a. Zelfs een verrassend a-bes-a komt soms voor (vergelijk de Engelse versie van het ‘Veni Creator Spiritus’; zie het voorbeeld elders op deze website). In de vierde regel is het verschil met het Liber Usualis het grootst. Conclusie De c in de tweede regel van Luthers ‘Christum wir sollen loben schon’ is brongetrouw, en ook de ‘Aufschwung’ in de laatste regel, met de c als hoogste toon, komt uit de oorspronkelijke hymne. Het lijkt mij evident dat Luther déze melodie gekend en als monnik ook zelf gezongen heeft. Het enige melodische verschil is de d in regel 3, waarmee Luther de ambitus uitbreidt van een septiem tot een octaaf, – maar misschien kwam die variant ook oostelijk van de Rijn wel voor.
De strofen A, H en I in een verzamelhandschrift met hymne-melodieën. Klooster Einsiedeln, 12e eeuw, notatie in neumen rondom de ‘eenlijnige notenbalk’ (F-lijn).

A solis ortus cardine

De hymne in het Liber Usualis
Transcriptie van de melodie in het Liber Usualis
Transcriptie van de melodie in het Erfurter Enchiridion
De notatie in Dodecachordon
Erfurter Enchiridion 1524
Idem, transcriptie
In de Geistliche Lieder auffs new gebessert zu Wittemberg. D. Mart. Luth., (naar de drukker Joseph Klug meestal aangeduid als het Klugsche Gesangbuch 1533) ontbreekt het gepuncteerde ritme uit 1524, en ook de melodie wijkt op enkele punten af. De hoogste toon is c, de omvang is een septiem, zoals bij Glareanus. Verder zien we aan het einde een klein melisma op ‘en-de’. De melodie heeft een wat ‘plechtiger’ karakter dan in het Erfurter Enchiridion. Stamt de versie uit 1524 van Walter, en die uit 1533 van Luther? Of heeft Luther zijn eigen bewerking willen verbeteren?
In een latere druk (1543) van het Klugsche Gesangbuch staat dezelfde melodie afgedrukt in als in 1533, maar met een opvallende aantekening: ‘Der deudsch Text singt sich auch wol nach der latinischen Noten’. Bedoeld zal zijn de oorspronkelijke melismatische melodie; die staat ech- ter niet in het Klugsche Gesangbuch van 1543, ... ... maar wel in een aantal andere liedboeken, zoals hieronder in Psalmen und Geistliche lieder / die man zu Straßburg [...] pflägt zu singen (1543). De gregoriaanse melodie is genoteerd in een toen al tamelijk ouderwets hoefnagelschrift. Boven het lied staat: ‘kan ook gezongen worden op onderstaande melodie’. Dat ‘ook’ is raadselachtig, want er staat in de bundel geen ándere melodie...
Dezelfde melodie, maar dan in een fraaie mensurale druk met ligaturen, vinden we in het Babstsche Gesang- buch 1545 (Geystliche Lieder. Mit ei- ner neuen Vorrede D. M. Luth. Valentin Babst, Leipzig 1545). Opschrift: Der Hymnus / A solis ortu / Durch Mart. Luther verdeutscht.// Der Deutsch Text singet sich auch[!] wol unter den Lateinischen Noten 1) . Evenals in Straß- burg-1543 komt de melodie vrijwel overeen met de lezing van Glareanus. N.B. Ook in Babst-1545 staan alleen de ‘Lateinische Noten’.
Niet alleen in het Lutherse liedrepertoire komen we de melodie van A solis ortus tegen, maar ook in het Calvinistische Psalmboek. Loys Bourgeois citeert de melodie bij een heel andere tekst, namelijk de berijming van Psalm 31 (Nederlands ‘Op U vertrouw ik, Heer der Heren’). Ook Bourgeois entcoloriert uiteraard (op twee of drie uitzonderingen zijn alle 150 Geneefse Psalmen syllabisch). Bourgeois, geboren in Parijs, werkzaam in Genève, kende uiteraard niet de ‘Germaan- se’ lezing van ‘A solis ortus’ maar de in de meeste Romaanstalige landen gangbare versie zoals die te vinden is in het Liber Usualis (met de opvallende b bij ‘limitem’ en de trapsgewijze melodie van de laatse regel). Opmerkelijk is, dat Bourgeois zijn ‘citaat’ laat beginnen in de tweede regel van de Psalm.
‘Elegantissimum exemplum’ In Dodecachordon (1547) noemt Glareanus de hymne ‘A solis ortus’ een bijzonder fraai voorbeeld (‘elegantissimum exemplum’) van de tweeslachtigheid die ontstaat wanneer in authentiek-frygisch de ondersecunde d onder de finalis e een (te) belangrijke rol krijgt. Vooral als de melodie dan ook nog een ambitus heeft van een octaaf (van d 1 tot d 2 , zoals bij Luther!), is de suggestie van dorisch zo sterk dat er na de laatste strofe soms een afsluitend Amen op d wordt gezongen! Glareanus beschouwt dorisch en frygisch als sterk contrasterende modi. Hij maakt onderscheid tussen de milde, welluidende modi dorisch en mixolydisch, die aangenaam zijn voor het oor, en de ‘scherpe’ modi frygisch en lydisch. Frygisch en lydisch hebben namelijk binnen het eerste pentachord een overmatige kwart (f-b, de ‘diabolus in musica’), respectievelijk e f g a b en f g a b c. Dorisch en mixolydisch hebben dat niet: d e f g a en g a b c d. Zoals bekend, benoemt Glareanus twee ‘nieuwe’ modi: jonisch (finalis c) en aeolisch (finalis a), die in de westerse muziek uiteindelijk leiden tot de toonsoorten majeur en mineur, – woorden die in onze taal vaak overdrachtelijk gebruikt worden (‘het jaarverslag van de firma stond geheel in mineur’). Glareanus kende een vergelijkbaar gezegde: ‘het gaat van dorisch naar phrygisch’ (‘ex Dorio in Phrygium’), waarvan de gangbare betekenis – ‘van ernstig naar vrolijk’ – volgens Glareanus onjuist is, namelijk niet in overeenstemming met het karakter van de frygische modus. Het frygisch is immers bij uitstek geschikt voor treur-, klaag- en grafliederen (‘ut Threni, ut fletibus, ut sepulturis’), zoals hij uitgebreid uitlegt aan zijn vriend Erasmus. Het misverstand over de beschrijvingen van de ‘klankkleur’ ontstond doordat men in de Middeleeuwen en de Renaissance aan de modi (later ook wel ‘kerktoonsoorten’ genoemd) namen gaf die ontleend waren aan de toonschalen van de oud-Griekse muziek (dorisch, phrygisch etc.). De Grieken hadden echter een heel ander toonsysteem. In de Renaissance meende men ten onrechte dat de karakteromschrijvingen uit de Griekse muziek ook van toepassing waren op de modi. Het Erfurter Enchiridion De melodie van ‘Christum wir sollen loben schon’, zoals die voor het eerst is afgedrukt in het Erfurter Enchiridion is dus door Luther (of zijn cantor Johann Walter?) afgeleid van ‘A solis ortus’ in de versie die we o.a. vinden bij Glareanus. De meeste liederen van Luther worden in de loop van de zestiende eeuw meestal ongewijzigd overgenomen in de vele bundels met Geistliche Lieder. ‘Christum wir sollen loben schon’ is één van de weinige uitzonderingen; van dat lied zijn niet alleen twee verschillende entcolorierte vormen overgeleverd, maar het werd kennelijk ook gezongen ‘nach der latinischen Noten’ d.w.z. op de oorspronkelijke melismatische melodie. Hieronder een paar voorbeelden.
‘A solis ortus’ uit het Liber Usualis
Psalm 31 uit het Geneefse Psalter
Bourgeois heeft zich vaker laten inspireren door gregoriaanse melodieën. Uiteraard viel dat niet altijd in goede aarde, omdat die melodieën volgens de calvinisten verbonden waren met de ‘vervloekte afgoderij van de paapsche mis’. In het nawoord van de Octante trois pseaumes (Genève 1551) verdedigt Bourgeois zich als volgt: J’ay approprié deus ou trois Pseaumes à quelques chants dont nous avons autrefois abusé, ce qui ne vous doit non plus offenser que le son de la cloche, & autres choses qui autrefois ont servi à mal, & maintenant à bien. [Ik heb twee of drie psalmen gemaakt in overeenstemming met sommige gezangen die wij vroeger misbruikt hebben, iets wat u evenmin moet storen als het klokgelui en andere zaken, die vroeger ten kwade hebben gediend en nu ten goede.] Met die ‘twee of drie psalmen’ bagatelliseerde hij de kwestie enigszins; in het Geneefse Psalmboek zijn minstens tien voorbeelden te vinden 2) . 2) Zie Pierre Pidoux, Le Psautier Huguenot du XVI e siècle. Premier Volume, Kassel/Basel 1962.
1) Volgens het Liedboekcompendium ‘… staat onder de Latijnse tekst dat het lied auch sehr[sic] wohl in de versie van Luther gezongen kan worden.’ Dat is onjuist. In Babst-1545 (en in alle latere herdrukken) staat bij dit lied géén Latijnse tekst. Het boek geeft alleen de liedtekst van Luther, in combinatie met de melismatische melodie (de ‘Lateinische Noten’).