© Wim Kloppenburg. Laatste update 6 februari 2024.
Made with Xara Web Designer+
Gepubliceerd in M&L 2013 nr.6. Bewerkt en van illustraties voorzien in maart 2021
Een zaaier ging uit om te zaaien
t.W.Barnard, m.F.Mehrtens resp. J.Ouwehand. LbK gz.54(JO);LB 764(FM);GvL435(JO);ZJ 596(FM)

Drie liederen op dezelfde melodie…

In het Liedboek-Zingen en bidden in huis en kerk (LB; 2013) staan achter elkaar drie met elkaar verwante liederen van Willem Barnard: 763 ‘Zij zullen de wereld bewonen’ (Ten dage des heils), 764 ‘Een zaaier ging uit om te zaaien’ (Van de zaaier), 765 ‘Gij hebt met uw brede gebaren’ (Van het zaad in de akker), alle drie op dezelfde melodie van Frits Mehrtens: In het Liedboek voor de Kerken (LbK; 1973) zijn deze liederen te vinden onder de nummers 31 ‘Zij zullen de wereld bewonen’ 64 ‘Gij hebt met uw brede gebaren’, beide op de bovenstaande melodie van Mehrtens, maar bij 54 ‘Een zaaier ging uit om te zaaien’, staat een melodie van Juul Ouwehand: De teksten van Willem Barnard stammen uit 1957, het eerste jaar van de Nocturnen, de befaamde ‘kweekplaats van het kerklied’ in de Amsterdamse Maranathakerk. De diensten werden gehouden op de late dinsdagavond en volgden het proprium van de voorafgaande zondag in het klassieke Romeinse Missaal (het was nog vóór het Tweede Vaticaans Concilie!). De belangrijkste voorgangers waren Willem Barnard (1920-2010) en Willem Gerard Overbosch (1919-2001), Frits Mehrtens (1920-1975) was de cantor-organist. Voor Willem Barnard was de strakke orde van het klassieke leesrooster een ‘inspirerende discipline’. De jaren 1957-1961, waarin hij betrokken was bij de Nocturnen vormden een uiterst vrucht- bare periode waarin vooral veel bijbelliederen/schriftgezangen ontstonden. In Aflevering XII (1958) van de Medelingen van de Prof. dr. G.v.d. Leeuw-stichting vinden we onder de later beroemd geworden titel De Adem van het jaar een overzicht van de liederen die in het jaar 1957 gezongen werden. ‘Gij hebt met uw brede gebaren’ kwam voor het eerst tot klinken op 12 februari (de dinsdag na de vijfde zondag van Epifanie), ‘Een zaaier ging uit’ op 26 februari (Sexagesima) en ‘Zij zullen de wereld bewonen’ op 12 maart (Invocabit). Er zijn geen melodieën afgedrukt bij de liederen, en ook op de gestencilde liturgiebladen uit die tijd vinden we geen muzieknotatie. De huidige fotokopieermogelijkheden bestonden nog niet; Mehrtens zette de nieuwe melodieën altijd op grote vellen tekenpapier die op een lessenaar voor de gemeente werden neergezet. Wel zijn er achterin de eerste editie van de Adem twintig melodieën afgedrukt in het handschrift van Frits Mehrtens. Eén ervan is: Opvallend is de tekstverwijzing; er staat alleen ‘Een zaaier...’, een verwijzing naar de andere teksten ontbreekt. Op gemeente-avonden en in IKON-uitzendingen heeft Mehrtens verschillende malen verteld hoe de tekst van ‘de zaaier’ hem nu juist tot déze melodie had geïnspireerd, en hij maakte daarbij graag de brede gebaren van een zaaiende landman. In het Compendium bij het LbK noteerde Willem Barnard bij LbK gz.31 (‘Zij zullen de wereld bewonen’): Ik schreef het lied tegen een melodie aan die Frits Mehrtens een paar weken tevoren had gemaakt bij het lied over de zaaier, die uitging om te zaaien; deze melodie was nog thuis in mijn hoofd en bovendien hoorde ik verband tussen het verhaal van het uitgestrooide zaad en de profetie voor opgejaagde mensen. En Mehrtens schreef bij LbK gz.31: De melodie werd [door mij] namelijk gevonden *) bij de tekst van Gezang 54: ‘Een zaaier ging uit om te zaaien’. In het commentaar bij LbK gz.64 schreef Barnard: Al weet ik het niet zeker meer, ik denk dat het evangeliegezang over de zaaier er het eerste was en dat die breed-stappende melodie van Frits Mehrtens, die ik zo graag zong toen, als vanzelf de woorden te voorschijn riep: Gij hebt met Uw brede gebaren / de mensen gestrooid uit Uw hand ... Dat laatste klinkt iets minder zeker dan Barnards opmerkingen bij LbK gz.31, maar als je de bronnen uit 1957 bekijkt, dan kan de volgorde niet anders dan zó geweest zijn: eerst ‘Een zaaier ging uit...’, waarvoor Mehrtens meteen de melodie schreef. En ik kan me goed voorstellen dat de manier waarop Mehrtens daarover met brede armzwaaien vertelde, Barnard op zijn beurt weer inspireerde tot ‘Gij hebt met uw brede gebaren’. Alle drie de liederen zijn bij hun ‘première’ in 1957 gezongen op dezelfde melodie, wat dat betreft herstelt het LB de oorspronkelijke toestand. Alleen is de vermelding onder LB 764 en LB 765 onjuist; de oorspron- kelijke melodie is niet ‘Zij zullen de wereld bewonen’ (dat is gezien de tekst ook wel het minst waar- schijnlijk!) maar ‘Een zaaier ging uit om te zaaien’ De Vlaamse priester-musicus Ignace de Sutter zorgde ervoor dat een groot aantal nieuwe Nederlandse liederen uit die tijd ook in Vlaanderen bekend werden en uiteindelijk werden opgenomen in de bundel Zingt Jubilate (1977; herzien en uitgebreid in 2006). Ook daarin staat ‘de zaaier’ op de melodie van Frits Mehrtens.

Juul Ouwehand

In juni 1957 verscheen een bijzonder nummer van het tijdschrift Wending (‘Zoals de waard is’), dat grotendeels gewijd was aan het nieuwe kerklied. Er zijn liedteksten opgenomen van Gabriël Smit, Willem Barnard (onder zijn pseudoniem Guillaume van der Graft), J.W. Schulte Nordholt, Ad den Besten, Jan Wit en anderen. Van Barnard is ondermeer het lied van de zaaier afgedrukt, overigens zonder enige verwijzing naar de melodie van Mehrtens. De kerkmusicus Juul Ouwehand werd er onmiddellijk door aangesproken. Hij wist toen nog niet van het bestaan van de Mehrtens-melodie en schreef, geïnspireerd door de beelden van het ‘zaaien’ en ‘waaien’ vrijwel meteen een melodie. Deze werd onder andere gepubliceerd in Wij moeten Gode zingen (1960), een bundeltje van de Van der Leeuwstichting (de melodie is daar genoteerd in halven en kwarten; later zijn de notenwaarden gehalveerd). Het blijkt dat meer mensen gegrepen waren door Barnards lied van de zaaier, want er staan maar liefst vier melodieën in dit boekje; behalve Frits Mehrtens en Juul Ouwehand maakten ook Piet van Amstel en W.D. Westerop een melodie. In het commentaar bij Gez.54 in het Compendium bij het LbK schrijft Ouwehand: De tekst vond ik – kort na het verschijnen – in een afleverig van het maandblad Wending (‘Zoals de waard is ...’, jrg.12 nr.4, juni 1957) en deze sprak mij onmiddellijk aan. De melodie was er eigenlijk tegelijkertijd. De melismen in de eerste en derde regel zijn duidelijk klankschildering van de woorden ‘zaaien’ en ‘waaien’ uit de eerste en de laatste strofen, doch zijn ook nog wel passend voor de tekst van de overige coupletten. Toch moet men deze melodie maar liever niet voor andere teksten gebruiken, zoals wel is gebeurd, omdat zij zo nauw samenhangt met de tekst van dit lied van de zaaier. Conclusie: de twee melodieën voor ‘de zaaier’ zijn, kort na elkaar en geheel onafhankelijk van elkaar, speciaal voor déze tekst geschreven; de melodie van Mehrtens werd vrijwel direct na het ontstaan ook voor twee andere teksten van Barnard gebruikt. Bij de samenstelling van het LbK in 1973 besloot men om bij één van de drie Barnard-teksten een andere melodie te kiezen. Dat werd dus de melodie van Ouwehand, bij het lied van de zaaier. Uit de aanteke- ningen in het Compendium blijkt dat dit besluit in goed overleg is genomen. Mehrtens: ‘Ik heb mij dus met vreugde neergelegd bij de onderlinge afspraak dat Gezang 54 de melodie van Juul Ouwehand en Gezang 31 de oorspronkelijke melodie van mij zou voeren.’ Zelf ben ik bijzonder gehecht aan de melodie van Mehrtens. Ik was indertijd leerling van Mehrtens, zong in de cantorij van de Nocturnen en heb alle nieuwe teksten en melodieën van nabij zien ontstaan. Voor mij is dit ‘de enige echte zaaier’. Wie is opgegroeid met het Liedboek voor de Kerken kent het lied alleen op de wijs van Juul Ouwehand, en zal het dus jammer vinden dat die fraaie melodie in het LB niet meer voorkomt. Overeenkomstig de wens van Ouwehand is de melodie ook niet meer voor een andere tekst gebruikt.

Melodievariant

De melodie van Juul Ouwehand viel overigens niet bij iederéén in de smaak. Sommige leden van de muziekcommissie van het LbK hadden bezwaar tegen het feit dat de (dorische) melodie niet eindigt op d maar op a, dus in feite een halfslot heeft op de dominant. Dat werkt misschien wel goed bij de aansluiting naar het volgende couplet, maar het lied heeft dus eigenlijk geen echt slot. Zij stelden toen voor om de laatste regel te wijzigen. In De Adem van het jaar - Kerstkring (1962) staat bij ‘Gij hebt met uw brede gebaren’ (dus níet bij ‘De zaaier’!) de melodie als volgt genoteerd: Ook in enkele andere bundels is deze gewijzigde versie afgedrukt, bijvoorbeeld in Zingt voor de Heer - Gezangen rond Boek en Altaar (Tilburg 1967), daar overigens wel met de tekst ‘Een zaaier ging uit...’. Beide versies zijn dus in gebruik geweest. In een oude map met liedbewerkingen uit de jaren ’60 vond ik een vergeten zetting van mijn eigen hand, met voor de laatste regel een keuzemogelijkheid tussen versie A en B. Uiteindelijk is in het LbK toch gekozen voor de oorspronkelijke vorm van de melodie.

Het Kerkelijk Jaar

Tenslotte nog enkele opmerkingen over de plaats van de drie liederen in het kerkelijk jaar. Het LB plaatst ze alle drie in de rubriek Voleinding. Dat is enigszins merkwaardig, we zagen immers dat ze geschreven zijn voor resp. de vijfde zondag na Epifanie, Sexagesima (voor-vasten) en Invocabit (begin van de Veertig dagen). Maar de indeling in het LB van De getijden van het jaar is te grof om deze liederen een eigen plaats te kunnen geven, en er is geen rubriek Bijbelliederen (zoals in het LbK), waar ze opgenomen hadden kunnen worden in de volgorde van de in het lied behandelde pericopen (het LB kent alleen Bijbelse vertelliederen). Nu staan ze dus een beetje vreemd op een kluitje. Eigenlijk is alleen ‘Gij hebt met uw brede gebaren’ (LB 765) in deze rubriek min of meer op z’n plaats, als we tenminste uitgaan van de liturgische traditie van de ‘verplaatste zondagen’.

Verplaatste zondagen

Als het laat Pasen is, zijn er tussen Epifaniën en Septuagesima maximaal zes ‘zondagen na Epifanie’. In 1957 viel Pasen op 21 april en waren er vijf Epifanie-zondagen. Voor die vijfde zondag schreef Barnard het lied ‘Gij hebt met uw brede gebaren’. Als Pasen daarentegen vroeg valt, zijn er soms slechts twee Epifanie-zondagen; maar tussen Pinksteren en de Eerste Advent zijn er juist méér zondagen dan de 24 die het oude Romeinse Missaal aangeeft. In dat geval worden de ‘niet gebruikte’ Epifanie-zondagen verschoven naar het einde van het kerkelijk jaar, en geplaatst tussen Zondag XXIII en Zondag XXIV-of-laatste na Pinksteren. Dat was bijvoorbeeld het geval in 1959. Pasen viel toen op 29 maart; er waren twee Epifaniezondagen en 27 zondagen na Pinksteren. In de Nocturne van dinsdag 10 november 1959 volgden we dus het proprium van de ‘verplaatste vijfde zondag na Epifanie’, met als zondagslied het lied ‘Gij hebt met uw brede gebaren’. In de Nocturnebrief schreef Barnard: De lezingen voor deze tussentijd in november worden ontleend, der traditie getrouw, aan door het vroege Pasen ‘overgeschoten’ lezingen uit het voorjaar. Bij het einde der tijden verwijlen betekent: voor Kerstmis en voor Pasen staan! De geboorte uit de hemel (Kerstmis) en de geboorte uit de aarde (Pasen) wacht nog op een derde: de wedergeboorte van de ganse schepping. In de oorspronkelijke versie van het lied, die geschreven was voor de Epifaniëntijd, is in de tweede strofe sprake van de ‘onstuimige lente’. Toen het lied werd gezongen in het najaar van 1959, wijzigde Barnard het tweede couplet in: Wij moeten de tijden verdragen wij leven de oogst tegemoet, als God in het einde der dagen verzamelt het kwaad en het goed. Nu het lied in het LB in de rubriek Voleinding is geplaatst, zou dít eigenlijk de tweede strofe moeten zijn... In de grote verzamelbundel In wind en vuur, met alle Barnardliederen (uitg. Skandalon, 2023) is de altenatieve strofe helaas niet opgenomen.
Gez. 54 uit het Liedboek voor de Kerken met de melodie van Juul Ouwehand.
Het Nocturne-team in de hal van de Maranathakerk. V.l.n.r. W.G. Overbosch, Frits Mehrtens en Willem Barnard.
*) Wie Mehrtens gekend heeft of zijn boek of artikelen gelezen heeft, weet dat hij met het woord ‘gevonden’ doelde op de inventio: hij had de melodie ‘uitgevonden’ speciaal bij déze tekst.

Wat is de “echte” zaaier?

De losbladige, allereerste editie van De Adem van het jaar, verspreid in een goedkoop klembandje waar je altijd je vingers aan openhaalde…
Het speciale themanummer van het tijd- schrift Wending, over ‘kerkbouw, kerkelijke verbeelding, liederen en hun muziek’, ge- tuigde van een nieuw-begonnen bloeiperi- ode op al deze gebieden.
‘Een zaaier ging uit om te zaaien’. Eén van de illustraties van Piet Klaasse uit de Bijbel voor de kinderen met zingen en spelen. Deel 2, Nieuwe Testament, Johanna Klink. Baarn 1961.
bladeren
bladeren
Een zaaier of de Zaaier. De coupletten 1 t/m 4a van het lied zijn een navertelling-op-rijm van de bijbelse parabel over ‘een zaaier’. In 4b en 5 volgt de uitleg: het verhaal ‘openbaart de zin van ons aardse bestaan’. In strofe 6 roepen wij de Zaaier aan: ‘O Zaaier, ga uit om te zaaien’. We bidden Hem dat wijzelf vruchtbare grond mogen zijn. In de oorspronkelijke versie, die ook in het LbK is opgenomen, wordt het woord Zaaier in het laatste couplet dan ook met een hoofdletter gespeld. In het LB ontbreekt deze helaas. Dat is niet, zoals ik aanvankelijk dacht, de schuld van de Liedboekredactie. De hoofdletter ontbreekt al in Barnards Verzamelde Liederen. Barnard heeft wel vaker in zijn liederen naderhand veranderingen aangebracht die niet altijd verbeteringen zijn. Naar mijn mening verdient de oorspronkelijke versie hier de voorkeur. De nieuwe Barnard-bundel In wind en vuur besteedt geen aandacht aan deze kwestie en noteert een kleine letter.
Wim Kloppenburg  Hymnologie