© Wim Kloppenburg. Laatste update 6 februari 2024.
Made with Xara Web Designer+
Uit M&L 2011 nr.3. Voor deze site bewerkt en uitgebreid in maart 2021.
Psalm 136

Vertalingen

Psalm 136 heeft in de Bijbel 26 verzen. De eerste helft van elk vers brengt één van Gods grote daden in herinnering – de schepping, de uittocht uit Egypte, de doortocht door de Schelfzee, de overwinning op de Amorieten – de tweede helft van elk vers is een refrein. Het hebreeuwse kernwoord in dat refrein is chèsèd: Gods goedheid en blijvende trouw. Er is niet één Nederlands equivalent voor. In de kolom rechts heb ik de 26 verzen ‘gebloemleesd’ uit zeven (protestantse) bijbel- vertalingen en vijf berijmingen. De klassieke vertaling van chèsèd is ‘goedertierenheid’, maar er is een heel scala aan betekenissen. In de Nieuwe Bijbelvertaling komt het woord ‘goedertierenheid’ niet meer voor, maar heeft men gekozen voor andere woorden en omschrijvingen (zie de pagina Verdwenen woorden). In de NBV-vertaling van Psalm 136 koos men voor het begrip trouw; Piet Oussoren gebruikt in de Naardense Bijbel het woord vriendschap. De verzen uit de Duitse bijbelvertaling van de Joodse theoloog en filosoof Martin Buber (1878-1965) heb ik gekozen vanwege de belangrijke invloed die hij heeft gehad op Nederlandse theologen en bijbelvertalers. Buber vertaalt chèsèd met ‘Huld’: genade, gunst, welwillendheid. Verder vermijdt hij in zijn vertaling het naar zijn mening te abstract-filosofische woord ‘Ewige’ als aanduiding van de godsnaam, en naar analogie daarvan ook het woord ‘Ewigkeit’, dat hij vervangt door Weltzeit, waarvoor eigenlijk geen nederlands equivalent bestaat. Het hebreeuwse ‘olam’ duidt zowel op ‘tijd’ als ‘ruimte’. Het heeft betrekking op God die tijd en ruimte omspant: sicut erat in principio et nunc et semper et in saecula saeculorum. Een vertaling die ik in de rechterkolom niet heb gebruikt maar die mij na aan het hart ligt, is Psalm 136 uit de Lutherbijbel. Dat komt door de toonzetting uit de Psalmen Davids (1619) van Heinrich Schütz (1585-1672): Danket dem Herren, denn er ist freundlich, denn seine Güte währet ewiglich, een groots opgezette meerkorige compo- sitie (SWV 32). Eén grote, feestelijke lofprijzing die Schütz waarschijnlijk schreef voor het eeuwfeest van de Reformatie in 1617. Van SWV 32 is op Spotify en YouTube een fraaie opname te vinden door Cantus Cölln en Concerto Palatino.
Liesveldtbijbel, 1526/1542 1 Danct den HERE want hi is vriendelic, want zijn goetheyt duert eewelic. 2 Danct den God alre goden, want zijn goetheyt duert eewelijck. Deux-Aesbijbel, 1562 3 Dancket den Heere aller heeren, want syne goedertiereheyt duert eewichlick. 4 Die groote wonderen doet alleene, want syne goedertierenheyt duert eewichlick. Statenvertaling, 1637 5 Dien die de hemelen met verstant gemaeckt heeft: want sijne goedertierenheyt is in der eeuwicheyt. 6 Dien die d’aerde op het water uytgespannen heeft: want sijne goedertierenheyt is in der eeuwicheyt. NBG-1951 7 die de grote lichten maakte, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid; 8 de zon tot heerschappij over den dag, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid; De Nieuwe Bijbelvertaling, 2004 9 maan en sterren om te heersen over de nacht – eeuwig duurt zijn trouw – 10 die Egypte trof, in hun eerstgeborenen – eeuwig duurt zijn trouw – De Naardense Bijbel, Piet Oussoren 2004 11 en Israël deed uitgaan uit hun midden, – want voor eeuwig is zijn vriendschap! – 12 met sterke hand en uitgestrekte arm, - want voor eeuwig is zijn vriendschap! - Das Buch der Preisungen, Martin Buber 13 Der das Schilfmeer schnitt in Schnitte, denn in Weltzeit währt seine Huld. 14 Und Jisrael ziehn ließ mitten durch, denn in Weltzeit währt seine Huld. 15 Und schüttelte Pharao und sein Heer in das Schilfmeer, denn in Weltzeit währt seine Huld. Théodore de Bèze, 1562 16 Son peuple_ainsi gouverné, Par le desert a mené. Car sa grand’ benignité Dure à perpetuité. 17 Il a les Rois attrapez, Et pour son peuple frappez. Car sa grand’ benignité Dure à perpetuité. Petrus Datheen, 1566 18 Die ruesen* sterck onbesorght, *reuzen Heeft de Heer’ selve verworght: Want sijn groote goedicheit, Gheduert in der eewicheit. 19 Syn handt sloegh den Amorryt Sihon tot niet in den strydt: Want sijn groote goedicheit, Gheduert in der eewicheit. Philips van Marnix, 1617 20 End Og, die op ’t selve pas Over Basan Coninck was: Om dat sijn goetgunstichheyt Duert tot inder eewicheyt. 21 Ende schanck al haere lant Tot een erf met gront end sant: Om dat sijn goetgunstichheyt Duert tot inder eewicheyt. Staatsberijming, 1773 22 Looft Hem, nu die erfenis Naar zijn woord bevestigd is; Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid. 23 Die in onzen laagen stand Ons genadig bood de hand; Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid. Hendrik Hasper, 1936/1948 (vers 19 t/m 21) [24] die ons volk, zo wreed verdrukt, aan den vijand heeft ontrukt. Want zijn goedertierenheid duurt tot in der eeuwigheid. [25] Looft God, wiens voorzienigheid brood voor al wat leeft bereidt! Want zijn goedertierenheid duurt tot in der eeuwigheid. [26] Brengt den God des hemels eer, prijst zijn grootheid, looft den Heer! Want zijn goedertierenheid duurt tot in der eeuwigheid.

Zesentwintig refreinen. Extase of verveling?

Berijmingen

De meeste berijmingen van Psalm 136 hebben een voor de hand liggende vorm. De 26 psalmverzen worden weergegeven in evenzovele coupletten, waarbij de tweede couplethelft steeds dezelfde refreintekst heeft. In het Psalmboek van Genève (Les Psaumes en vers Français avec leurs mélodies, 1562) behoort Psalm 136 tot de psalmen die pas in laatste instantie aan het boek zijn toegevoegd. De tekst is geschreven door Théodore de Bèze, de melodie is van ‘Maistre Pierre’, door Pierre Pidoux geïdentificeerd als Pierre Davantès, opvolger van Loys Bourgeois. We vervolgen de psalmtekst, maar nu in berijmde vorm. Eerst twee strofen van De Bèze, daarna enkele coupletten uit verschillende Nederlandse vertalingen en bewerkingen. Petrus Datheen (ca.1531-1588) leverde reeds in 1566 de eerste nederlandse vertaling van de Franse Psalmberijming van Clément Marot en Théodore de Bèze (1562). Er was veel kritiek op zijn werk dat o.a. gekenmerkt werd door conflicten tussen melodie- en woordaccent. Marnix van St. Aldegonde was één van de velen die Datheens berijming trachtten te verbeteren of te vervangen, maar het duurde tot 1773 tot er, in opdracht van de Hoog Mogende Heeren der Staaten-Generaal, een officiële nieuwe berijming tot stand kwam. De berijming van Datheen is in sommige oud-gereformeerde gemeenten nog altijd in gebruik (zij het in aangepaste spelling); de Staatsberijming van 1773 is in de meeste kerken in ge- bruik gebleven tot 1961 (het ‘groene boekje’, zie onderaan de pagina) of tot 1973 (ingebruik- name van het Liedboek voor de Kerken). Enkele behoudende protestantse denominaties zingen nog uit de berijming-1773 die o.a. was opgenomen in de Hervormde Bundel-1938 (Psalmen en Gezangen voor den Eeredienst der Nederlandsche Hervormde Kerk). In de twintigste eeuw is het de eigenzinnige predikant/hymnoloog Hendrik Hasper (1936/1948) die een nieuwe berijming publiceert. Hasper is tot op dat moment de enige die afwijkt van het aantal van 26 coupletten. Hij comprimeert het lied door enkele keren twee bijbelverzen in één couplet samen te vatten. Zon en maan krijgen samen één strofe, en de vijanden van Israël worden niet allemaal apart genoemd. In de versie-1936 heeft de psalm 17 strofen, maar in 1948 breidt Hasper het aantal toch weer uit tot 21. In nevenstaande kolom zijn de coupletten 19, 20 en 21 afgedrukt, overeenkomend met de verzen 24, 25 en 26 van de onberijmde psalmtekst.

Het probleem van de strofevorm

Hasper was niet de enige die worstelde met het grote aantal coupletten. Zesentwintig strofen van slechts vier regels, op een tamelijk eenvoudige melodie, is erg veel. De extase van de herhaling, die we in de onberijmde psalmtekst nog wel kunnen navoelen, gaat in de strofische vorm grotendeels verloren, tenzij we de mogelijkheid hebben om in een reeks meerstemmige bewerkingen en afwisselende instrumentaties de spanning op te bouwen. In de zeventiende eeuw waren er verschillende dichters die probeerden om althans enige variatie aan te brengen in het refrein, zodat er niet zesentwintig maal dezelfde tekst klonk. We zien dat bijvoorbeeld bij Jacobus Clercquius, die als predikant in verschillende plaatsen in Noordholland heeft gestaan. In 1664 verscheen van hem De Psalmen Davids […] op rijm gestelt, één van de vele – vergeefse – pogingen die in de zeventiende eeuw werden gedaan om de psalmen van Datheen, met hun vele valse accenten (zie couplet 18 en 19), te vervangen. Clercquius is buitengewoon vindingrijk in het bedenken van alle mogelijke variaties op het thema van het refrein. Hendrik Ghysen neemt ze bijna allemaal over in zijn bloemlezing Den Hoonig-raat der Psalm- Dichten (Amsterdam 1686): Want sijn goedheid sonder maat / In der eeuwigheid bestaat. Want sijn goedheid die ’t al geeft / Eeuwiglijk geen einde heeft. Want sijn goedheid onbepaalt / Ons in eeuwigheid bestraalt. Want sijn goedheid, wel-bekent, / Heeft in eeuwigheid geen end. Want sijn goedheid, groot en sterk / Heeft in eeuwigheid geen perk. Want sijn goedheid is voorwaar / eeuwiglijk onwankelbaar. etc.

Taalvirtuozen

In LbK en LB heeft Psalm 136 slechts dertien coupletten. Het waren Jan Willem Schulte Nordholt en Jan Wit, de grootste taalvirtuozen onder de liedboek-dichters, die besloten dat het mogelijk moest zijn, Psalm 136 te berijmen in een beknoptere vorm, zonder essentiële motieven uit de psalmtekst te verliezen. Het knappe is, dat in dertien strofen niet alleen recht wordt gedaan aan alle verschillende verwijzingen in de bijbeltekst, maar dat ook in iedere strofe het refrein doorklinkt in wisselende bewoordingen. Met een aan Clercquius herinnerende vindingrijkheid zijn Jan Wit en J.W. Schulte Nordholt er in geslaagd om de inhoud van het refrein op allerlei verschillende manieren te verwoorden: … trouw door alle tijden heen. … Eeuwig houdt zijn liefde stand. … zijn genade blijft van kracht. … daar Gods goedheid eeuwig is. enz.

Psalm 136 – vertaald en berijmd

De berijming van Jan Willem Schulte Nord holt en Jan Wit stond al in het be - roemde ‘Groene boekje’, de Proeve van een nieuwe berijming uit 1961, en is in - middels dus meer dan zestig jaar oud, maar nog geens zins verbleekt.
bladeren
bladeren
Wim Kloppenburg  Hymnologie