© Wim Kloppenburg. Laatste update 6 februari 2024.
Made with Xara Web Designer+
t.ca.1200, v 1 .J.W. Schulte Nordholt, v 2 .Huub Oosterhuis;LbK gz.238;LB 669;GvL 464/482
‘Veni sancte Spiritus’ is een prachtig voorbeeld van de strenge, compacte vorm van de late sequentie zoals die in de twaalfde eeuw opkomt. “In die vaste vorm gloeit een hartstochtelijke inhoud, dat is wat het lied zo geliefd heeft gemaakt. Het is niet origineel van gedachten, niet verrassend van beeldspraak, maar het heeft die geheimzinnige eigenschap, dat het bekende woorden in een klassieke orde onderbrengt”, aldus J.W. Schulte Nordholt. In LbK, LB en GvL staat een zeer getrouwe vertaling van Schulte Nordholt; in GvL vinden we daarnaast een vrije parafrase van Huub Oosterhuis. Het is de moeite waard om beide vertalingen te vergelijken.
Schulte Nordholt IS ER IN GESLAAGD, in zijn vertaling het metrum en het rijmschema (aab-ccb; in het latijn rijmen zelfs álle derde regels!) van het origineel te handhaven. Daardoor kun je zijn tekst zingen op de oorspronkelijke melodie – of eigenlijk melodieën, want iedere dubbelstrofe heeft een eigen melodie. Voor de vrije parafrase van Huub Oosterhuis was een nieuwe melodie nodig van Bernard Huijbers (GvL 464; de lange melisma’s kunnen een groter of kleiner aantal lettergrepen dragen). Het zijn dus heel verschillende liederen geworden. Maar beide teksten getuigen van een groot poëtisch
vakmanschap. Overigens kun je een her-taling, parafrase of variatie pas echt waarderen als je het origineel kent (dat geldt trouwens ook voor een karikatuur of een persiflage). De werksters van half vijf van Karel Eykman is pas écht leuk als je de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard al gelezen hebt. Een koraalbewerking van Bach ont- vouwt zich pas ten volle als je vertrouwd bent met het lied dat er aan ten grondslag ligt. Lees dus eerst het Latijn en/of de letterlijke vertaling, dan de ‘strenge’ vertaling van Schulte Nordholt, en ervaar tenslotte de virtuoze ‘speelse ernst’ van Oosterhuis.

Veni sancte Spiritus

Twee Nederlandse versies van de Gouden Sequens

De tijdgenoten Stephen Langton (links; aartsbisschop van Canterbury) en paus Innocentius III worden beiden genoemd als mogelijke auteurs van deze Sequentia.
Veni Sancte Spiritus
Hierheen, Adem Huub Oosterhuis 1. Hierheen, Adem, steek mij aan, stuur mij uit jouw verste verte golven licht. Welkom armeluisvader welkom opperschenker welkom hartenjager.
Veni, sancte Spiritus anonymus, middeleeuws 1. Veni, sancte Spiritus, et emitte cælitus lucis tuae radium. Veni, pater pauperum; veni, dator munerum; veni, lumen cordium.
Kom o Geest des Heren, kom J.W. Schulte Nordholt 1. Kom o Geest des Heren kom uit het hemels heiligdom, waar Gij staat voor Gods gezicht. Kom der armen troost, daal neer, kom en schenk uw gaven, Heer, kom wees in de harten licht.
Een poging tot een zo letterlijk mogelijke vertaling, wk 1. Kom, heilige geest/adem/wind, en zend uit de hemel een straal van uw licht. Kom, vader der armen, kom, gever van geschenken, kom, licht der harten.
1a  Hierheen, Adem! Die inzet is meteen al grandioos. Het latijnse spiritus kan zowel geest als wind en adem betekenen (gr.: pneuma, hebr.: ruach). ‘Hier moet je wezen, Ruach!’ Tijdens het gesprek met Nikodemus (Joh.3) zegt Jezus: ‘De wind waait waarheen hij wil… zó is een ieder die uit de Geest geboren is’. In het grieks staat daar twéé keer pneuma. In bijbelvertalingen gaat dit woordspel verloren. In de eerste strofe staat ook een aanduiding van de plaats waar de Geest vandáán komt. Die omschrijving (‘jouw verste verte’) mag bij Oosterhuis op het eerste gezicht misschien vaag lijken, maar bij nader inzien vind ik het wél zo eerbiedig. Het laat het geheim in elk geval intact. 1b,2  De woorden waarmee de omschrijvingen van de Geest worden samengevat, zijn even zovele vondsten: armeluisvader, opper- schenker, hartenjager, tranendroger, zielsbewoner... De bede om vrede komt bij Oosterhuis erg dichtbij. De oorspronkelijke tekst zou je nog kunnen ‘verharmlosen’ door hem te vergeestelijken; in de parafrase gaat het – óók – over een weldadige, lijfelijke rust voor wie afgebeuld of verkrampt is. 3 *) Sommige bronnen hebben hier ‘nihil est in lumine’ (‘staat niets in het licht’), wat mij gezien het overal streng gehanteerde rijm aannemelijker voorkomt. Kennelijk leest Schulte Nordholt hier homine en Oosterhuis lumine. Hoezeer wij het lux beatissima, het zegenrijke licht nodig hebben, maakt de parafrase wel heel duidelijk: dat de duistere afgrond van ons hart volstrome met licht! 4  Ook bij de strofe over het ‘verkilde hart’, wordt Oosterhuis’ tekst weer zeer concreet en lichamelijk. Wie herkent hierbij niet zijn eigen houding of die van iemand in zijn omgeving?! Koud, afstandelijk, afwerend – wíllen we wel ontdooid worden? Overigens zet Anton Vernooij in zijn bespreking van dit lied vraagtekens bij de genoemde ‘lichamelijkheid’ van strofe 4B: Persoonlijk vraag ik me vervolgens af of de sexuele geladenheid die we bij Oosterhuis vaker aantreffen […] wel zo reëel is. Het is niet conform de geest van de tekst, en zal bovendien voor velen een reden zijn emotionele bezwaren te uiten tegen dit toch zo voor- treffelijke lied. (Die mogelijke ‘sexuele geladenheid’ is ook te bespeuren in de tweede strofe van Oosterhuis’ bekende lied ‘De Heer heeft mij gezien en onver- wacht…’. Van oudsher – denk aan het Hooglied en aan de beroemde vrouwelijke mystici uit de kerkgeschiedenis! – liggen mystiek en erotiek dicht bij elkaar, maar de huidige bezwaren, met name van feministische zijde, wogen toch zo zwaar dat men besloot ‘De Heer heeft mij gezien’ niet op te nemen in Liedboek-2013.) 5  Het laatste vers gaat opnieuw verder dan het origineel. ‘Geef uw gaven aan wie u vertrouwen’ wordt: ‘Vergeld mijn twijfel met vriendschap’. Klinkt dit niet erg reformatorisch? Niet door onze verdienste, maar ‘uit genade alleen’. Onze twijfel wordt beantwoord met liefde, onze vijandigheid met vriendschap van de andere kant. En dan het slot: sommige critici menen dat hier de zekerheid ontbreekt van ‘hiernamaals’ en ‘hemelse vreugde’. Maar het latijnse voorbeeld formuleert al even terughoudend: da perenne gaudium, geef (ons) blijvende vreugde. Oosterhuis’ lied eindigt met lachen. Niet het lachen van ‘wie het laatst lacht...’ maar de lach als ‘de weerglans van Uw licht’. Dat is de laatste regel van het lied ‘Laat ons nu vrolijk zingen’, de vertaling door Ad den Besten van ‘Du meine Seele, singe’ van Paul Gerhardt, zie LbK gz.20 (in LB 146a is deze regel om onduidelijke redenen gewijzigd in ‘de weerglans van het licht’).
5. Da tuis fidelibus in te confidentibus sacrum septenarium. Da virtutis meritum, da salutis exitum, da perenne gaudium.
5. Geef uw gaven zevenvoud ieder die op U vertrouwt, zich geheel op U verlaat. Sta ons met uw liefde bij, dat ons einde zalig zij, geef ons vreugd die niet vergaat.
5. Ik zeg ja jij, doe nee. Vergeld mijn twijfel met vriendschap zeven maal duizend maal. Niets ben ik zonder jou. Dood wil ik naar jou toe. Dan zal ik lachen.
5. Schenk aan uw gelovigen die op u vertrouwen de heilige zevenvoudige gave. Schenk het loon van de deugd, schenk een uiteinde van zaligheid, schenk bestendige vreugde.
4. Lava quod est sordidum, riga quod est aridum, sana quod est saucium, flecte quod est rigidum, fove quod est frigidum, rege quod est devium.
4. Was wat vuil is en onrein, overstroom ons dor domein, heel de ziel die is gewond, maak weer zacht wat is verstard, koester het verkilde hart, leid wie zelf de weg niet vond.
4. maar jij maakt schoon. Verflenst mijn bloem – geef water zalf mijn wonden. Stijf sta ik, toegang verboden, ijzig – ontdooi mij, koester mij. Vreemd ga ik, zoek mij.
4. Was wat vuil is, besproei wat verdroogd is, genees wat gewond is, buig wat star is, verwarm wat kil is, richt wat afgedwaald is.
3. O lux beatissima, reple cordis intima tuorum fidelium. Sine tuo numine nihil est in homine, *) nihil est innoxium.
3. Licht dat vol van zegen is, schijn in onze duisternis, neem de harten voor U in. Zonder uw geheime gloed is er in de mens geen goed, is de ziel niet rein van zin.
3. Onmogelijk mooi licht, overstroom de afgrond van mijn hart, jou zo vertrouwd. God ben jij, zonder jou is alles nacht en ontij, wreedheid, schuld,
3. O allerzaligst licht vervul het binnenste van het hart van uw gelovigen. Zonder uw goddelijke macht is er niets (goeds) in de mens, is niets onschuldig/onbeschadigd.
2. Consolator optime, dulcis hospes animæ, dulce refrigerium, in labore requies, in æstu temperies, in fletu solatium
2. Kom o Trooster, Heilge Geest, zachtheid die de ziel geneest, kom verkwikking zoet en mild. Kom o vrede in de strijd, lafenis voor ’t hart dat lijdt, rust die alle onrust stilt.
2. Beste tranendroger lieve zielsbewoner mijn vriend mijn schaduw. Even rusten voor tobbers en zwoegers, voor krampachtigen een verademing, ben je.
2. Allerbeste trooster, lieve gastvriend van de ziel, zoete verkwikking, in moeite rust, in hitte matiging, in droefheid troost.

De melodie van Bernard Huijbers

Als je Oosterhuis’ tekst voor het eerst leest, kom je niet zo gauw op het idee om dit ‘proza-gedicht’ te gaan zingen. Het heeft geen rijm, geen metrum, geen vast ritme. In LB zijn op pag. 1143 dan ook alleen de woorden afgedrukt. Als je deze tekst toch op muziek wilt zetten dan kom je al gauw uit op een psalmtoon, een recitatief of een doorgecomponeerde vorm. Toch schreef Bernard Huijbers een strofische melodie (GvL 464) voor de tien ‘coupletten’, een melodie die er juist wèl strak metrisch en ritmisch uitziet: maatstrepen, consequente 5/8 maat (één keer een 7/8), achtsten met waardestrepen, – kortom een verwarrende notatie. Want het is al spoedig duidelijk, dat we hier niet te maken hebben met een jazzy ‘Take five’ effect, en evenmin met een exotisch Balkan-ritme. Als je kijkt naar de toonsoort (E-hypomixolydisch!) en naar de verdeling van de tekst over de noten, in iedere strofe verschillend, dan lijkt het eerder op Gregoriaans en ben je geneigd het te noteren zoals in het voorbeeld hiernaast. Ik begrijp niet zo goed waarom Huijbers niet voor deze notatie heeft gekozen. Het 5/8 notenbeeld is verwarrend en verleidt de zanger tot verkeerde accenten. Maar hoe je dit lied ook noteert of zingt, het blijft op sommige plekken toch iets gewrongens houden.

De notatie van de oorspronkelijke sequentie

We zagen hierboven dat de vertaling van J.W. Schulte Nordholt bedoeld is om gezongen te worden op de oorspronkelijke melodie. Als gevolg van het feit dat in de gebruikelijke kwadraatnoot-notatie geen ritme kan worden weergegeven, is in de loop der eeuwen een equale uitvoering van deze sequens gebruikelijk geworden, d.w.z. alle noten ongeveer even lang. Tegenwoordig zijn de meeste musicologen het er echter over eens dat deze gezangen oorspronkelijk een ternair metrum hadden. Zó is deze sequens dan ook genoteerd in LbK gz.238. In het Compendium bij het LbK schrijft Jan van Biezen: De melodie heeft het karakter van een krachtige troubadour-wijs. De melismen op de beklemtoonde lettergrepen wijzen er onmiskenbaar op dat de melodie oorspronkelijk het ternaire ritme gehad heeft dat we in het Liedboek vinden. Uit oude kronieken is bekend dat op het ‘Veni sancte spiritus’ gedanst werd. Voor de tijd na 1180 moeten we voor de kerkmuziek rekening houden met invloeden van de zgn. modale ritmiek zoals deze vanuit de Notre Dame te Parijs voorgeschre- ven was; deze ritmiek was wezenlijk ternair. Men zinge de melodie verend, vanuit de krachtige metrische impuls die er aan ten grondslag ligt, liefst één- stemmig waarbij we echter wel een bonte verscheidenheid van instrumenten zonder meer kunnen laten meespelen: kromhoorns, vedels, klokkespelen, slagwerk... Men late het evocatieve element zo sterk mogelijk uitkomen. Tempo: minstens MM 48 voor de gepunteerde halve (MM 144 voor de kwartnoot). De melodie van een sequens is berekend op alternerende groepen uitvoeren- den, de vorm a-a, b-b, c-c wijst dit ook aan. Men kan bijv. afwisselend koor of voorzanger en gemeente laten zingen. De gemeente krijgt dan steeds de voorgezongen melodie te herhalen op een nieuwe tekst, zodat de melodie ‘spelenderwijs’ geleerd wordt. Helaas hebben de redacteuren van Liedboek-2013 gemeend te moeten terug- keren naar een ouderwetse, quasi-gregoriaanse equale notatie (LB 669). Is het feestelijke karakter van de authentieke versie ze dan helemaal ontgaan?
Je zou de melodie van Bernard Huijbers heel goed in ‘neo-gregoriaanse’ notatie kunnen weergeven.
De notatie in het Liber Usualis
Ternaire ritmiek in het Liedboek voor de Kerken gez. 238
GvL 464, Bernard Huijbers
Terug naar een equale notatie in Liedboek-2013. Waarom?!
Literatuur - J. van Biezen en J.W. Schulte Nordholt, Hymnen, Tournai 1967. p.293vv. - Jan van Biezen, ‘Geschiedenis van de hymne’ en de toelichting bij Gezang 238 in Compendium... bij het Liedboek voor de Kerken. Amsterdam 1978 - A.C. Vernooy (sic), ‘Hierheen adem’ in Winek-info jrg.3 nr.3, mei/juni 1979 - R. te Riet, ‘Hierheen, Adem’, in Continuo jrg.13 nr.3, febr. 1999 - Analecta hymnica (zie Aanvulling)
Herziene en uitgebreide versie van het gelijknamige artikel in M&L 2008 nr.5.
Aanvulling Bij nader inzien heb ik in 2008 in mijn artikel te weinig aandacht besteed aan de kwestie homine-lumine in strofe 3b. De latijnse tekst die hierboven is afgedrukt, is de gangbare versie zoals we die o.a. vinden in het Liber Usualis (LU). In de bundel Hymnen (zie literatuurlijst) staat de LU-tekst naast de vertaling van Schulte Nordholt, maar er wordt ook verwezen naar de Analecta hymnica medii ævi van Dreves/Blume (dl.54, p.234). Daar vinden we echter als eerste lezing in strofe 3b het woord lumine. Homine wordt zelfs nadrukkelijk gediskwalificeerd als latere, ‘corrupte’ versie, niet alleen vanwege de door mij al gesignaleerde inbreuk op het streng gehanteerde rijm, maar ook inhoudelijk: “Nihil est in homine” ist namentlich in Verbindung mit dem folgenden “Nihil est innoxium” eine fast platte Rede-
wendung, der gegenüber die lectio difficilior “Nihil est in lumine” äußerst tief und treffend erscheinen muß: “Ohne Deiner Gottheit Glanz steht nichts im rechten Lichte und nichts kann gut gedeihen.” Ik denk niet dat Schulte Nordholt bewust heeft gekozen tussen lumine en homine. Hij is min of meer argeloos begonnen de hem vertrouwde tekst uit het LU te vertalen. Je zou kunnen zeggen dat er daardoor ongemerkt een ‘flardje Calvinisme’ in het middeleeuwse gezang is terechtgekomen. Want bij de zinsnede ‘Is er in de mens geen goed’ moest ik onwillekeurig denken aan een formulering die vier eeuwen later het geloof van veel mensen zou bepalen: de mensch is ‘ganschelijk onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad’, ZONDAG 3 van de Heidelbergsche Catechismus
bladeren
bladeren
Wim Kloppenburg  Hymnologie